'Ik probeer die prentbriefkaart een beetje vol te spelen'

Ernst Reijseger, cellist, Ned.3, 23.11-0.11u.

'Muziek is niet om naar te kijken' stond hier vorige week boven een voorbeschouwing. Gezien de aanleiding was die conclusie terecht: de stortvloed aan beeldwisselingen bij cellist Peter Wispelweij die een sonate van Kodály speelde, deed pijn aan de ogen en leidde alleen maar van de muziek af.

Dat de documentaire Ernst Reijseger, cellist wel het bekijken waard is, is te danken aan het minder verheven uitgangspunt van regisseur Wouter Hasebos. Hij wilde geen muziekstuk verfilmen, geen 'kunst over kunst' vervaardigen maar gewoon een aardig portret maken van een kunstenaar, met wie hij nog op school heeft gezeten. Een kunstenaar in actie, wel te verstaan, want we zien Reijseger vooral aan het werk: tijdens 'workshops' met kinderen en volwassenen, bij soundchecks, repetities en concerten.

Reijseger kreeg net als Wispelweij les van Anner Bijlsma, maar sloeg al vroeg een andere richting in: die van de improvisatie. Waardoor hij telkens maar weer moet afwachten of iets werkt (ook als er een snaar breekt) en hoe het uiteindelijk gaat klinken. Heel vaak is het een sprong in het diepe. Zijn instrument noemt hij zowel 'werktuig' als 'speelgoed' en beide omschrijvingen passen bij zijn muzikale praktijk. Want behalve conventioneel strijken en plukken doet Reijseger van alles met zijn cello: het instrument laten stuiteren op zijn metalen steunpunt, hem horizontaal bespelen als een bluesgitaar, hem laten praten - 'het is geen verhaal maar zo lijkt het wel' - en de klankkast gebruiken om erop te trommelen.

Het portret bevat mooie plaatjes van waar en met wie Reijseger zoal werkt; met cello-collega Yo-Yo Ma in het Amsterdamse Concertgebouw, met de Franse klarinettist Louis Sclavis op een nachtelijk pleintje in het Italiaanse stadje Clusone. Sclavis vat helder samen wat Reijseger zo bijzonder maakt; zijn gevoel voor ritme, zijn open geest en vooral zijn buitengewone reactie-snelheid, voor een improvisator onontbeerlijk.

Wie de cellist Ernst Reijseger is - 'wie ik ben daar snap ik niks van' - blijkt misschien het best uit een kort fragment halverwege de documentaire. Hij zit op een balkon, zijn instrument tussen zijn knieën geklemd, uitkijkend over een vriendelijk klein dal. 'Ik probeer die prentbriefkaart een beetje vol te spelen', geeft hij als antwoord op een niet hoorbaar gestelde vraag. Dan hoort men de uitroep van een spelend kind, die door Reijseger bliksemsnel op de cello wordt nagespeeld. De scene is niet alleen tekenend voor wat Reijseger doet, een combinatie van werk en spel die hij zelf 'jongleren' noemt, maar ook voor de lichte toets van deze documentaire. Wie echt gelooft in wat hij doet behoeft geen kanon om zich verstaanbaar te maken.