Het geritsel van een herstellende roos; Paul Meeuws poetiseert 14 verhaaltjes bij elkaar

Paul Meeuws: Jonge Modinettes. Uitg. Van Oorschot, 116 blz. Prijs fl.24,90.

Het verhaal 'Het oog', uit de bundel Jonge modinettes van Paul Meeuws, begint met een mooi essay van pakweg een bladzijde over kunstonderwijs, uitleggend waarom kinderen niet van moderne kunst houden. “Dat komt (-) doordat kinderen nog niet weten dat je iets twijfelachtigs kunt leren en dat er een leren in omgekeerde richting bestaat. De tamelijk slordige cijfers van Jasper Johns zijn voor kinderen, die netjes tussen de regels moeten schrijven, van een ontmoedigende gemakzucht. Het abstract expressionisme wekt oudemannetjeswoede (-) Kienholz, Bacon, Chamberlain, Paolozzi, hebben niet de net-echte gezellige engheid van de favoriete TV-series en de kubisten zijn ronduit gek.”

Paul Meeuws zou een knap kunst-essayist zijn, een aardig dichter ook, met mooie beelden (een magere jongensborst is 'knokig als een tenen mand'). Als een andere leraar bijna per ongeluk in zijn les het woord 'tederheid' laat vallen, krijg je er een halve bladzijde etymologische bedenkingen bij, plus even verder alweer een kunsthistorische beschouwing over schilderachtigheid. Die is 'gebonden aan een kwantitatief maximum': het vlot van de Medusa is schilderachtig, een boot met echte bootvluchtelingen is dat niet. Te veel mensen zijn niet meer suggestief.

Het verhaal 'De vriendinnen' beschrijft hoe een dertienjarig meisje ontmaagd wordt en hoe de groep daarop reageert: het is minder een verhaal dan een proeve tot poetische groepssociologie. Het wordt min of meer gered door een mooie poetische zin, vind ik: bij haar armzalige ontmaagding door de grootste bandiet uit de jongerenclub voelt ze zich 'een larve van wat ze voor hem probeerde te zijn.' Elders geeft Paul Meeuws korte biografietjes van zijn personages, in plaats van hen echt verhalenderwijs tot leven te brengen.

Hij is beter in filosofie dan in psychologie, en beter in psychologische uitleg dan in het eigenlijke gebeuren, kortom hij mediteert, filosofeert en poetiseert zijn verhalen bij elkaar. Hij kan zowat alles, behalve echt verhalen. Dat is natuurlijk knap, alleen is het voor iemand die toevallig verhalen schrijft nogal een handicap. Meeuws is vooral goed in uitweidingen. Dat valt op in verhalen met een gemiddelde lengte van vijf pagina's.

Vrucht

Jonge Modinettes is een dun boekje met veertien verhalen. Een stuk of vier, onder meer het begin- en eindverhaal, mogen er van mij onmiddellijk uit. Nogal wat poezie, erg weinig verhaal. 'Ina' bijvoorbeeld. Godsdienstlerares is zwanger en vraagt aan de klas: “Waar waren we gebleven?” Ze hoopt blijkbaar dat iemand zou antwoorden “bij de vrucht in uw schoot.” En warempel, op het einde van het verhaal steekt een bedeesd meisje de vinger op, en durft de lerares niet aan te kijken. Het gevolg is dat ze de indruk geeft naar de buik van de lerares te kijken. En die “voelt hoe het kind in haar groeit, een geritsel als van een verkreukelde, zich langzaam herstellende roos.” Het is een prachtig beeld, dat de belachelijke poezie niet kan goedmaken van een verhaal dat er geen is, en van een psychologie die er geen is.

Wat houd je over? En zevental dunne verhaaltjes rondom een school. Zoiets als Ed Leeflang in Op Pennewips Plek met poezie heeft gedaan. Bij Meeuws gaat het over een beroepsschool met nogal wat migrantenkinderen, die vooral geinteresseerd zijn in lassen en boetseren. Maar de beste leerling van de las-klas, bijvoorbeeld, blijkt dat vak gekozen te hebben om brandkasten te leren kraken.

De portret-verhaaltjes blijken de beste. Het zijn verhalen waarin een dappere, vindingrijke pedagogie en veel onderwijsidealisme het meestal moeten afleggen tegen een veelkleurige wanhoop, een uitzichtloos maar niet onaanstekelijk vitalisme. Ze zijn concreet, en deze concreetheid kan nogal wat poezie hebben.

Ondanks het feit dat Paul Meeuws nauwelijks kan vertellen (maar honderd en een andere dingen wel), blijven deze verhalen overeind. Dat is een krachttoer. Ze worden er bij herlezing trouwens beter op. Het familiegevoel van de school wordt ook groter, je wil ze wel bij elkaar houden, godja, ook die rare godsdienstlerares mag wel blijven. En zeker de muziekleraar uit een toch wel drastisch resumerend verhaal, omdat hij zo mooi getypeerd wordt als “een stille man, zwaar als een brandkast. In zijn spaarzame, vermoeide lachjes ging die op een kier...”

Zoals Meeuws van een moeilijk klasje met al zijn gebreken toch maar probeert te houden, terwille van een paar kleurrijke kereltjes, zo ben ik geneigd deze krakkemikkige verhalenbundel toch maar goed te keuren wegens dit soort zinnen.

    • Herman de Coninck