Heimwee

“Mijn zege in Parijs-Roubaix draag ik op aan Elena.”

Elena: het klinkt als gouden wimpers, glimmende oorringen en gebakken haren. Als handen die nooit een aardappel hebben geschild. Als La Dama Bianca van Fausto Coppi. Een en al geheimzinnigheid.

Mevrouw Tsjmil dus.

Het is de dag na de helletocht. Locatie: een hotelletje in het Noordfranse Tourcoing. Op verzoek van de sponsor staan de heer en mevrouw Tsjmil de internationale pers te woord. In schril contrast zitten ze naast elkaar, Andrei en Elena. De renner met de mooiste vlaskop van het peloton draagt een notarispak. Zijn vrouw rafelt een beetje weg in een Oekraïense bloemenjurk. Snit: gekreukt behang. Uit haar handen stijgt de geur van rubber en diesel op. Maar haar glimlach blijft verheven en geheimzinnig.

Vooral Franse en Belgische journalisten willen alles weten van de zegetocht over verzopen karresporen en kasseistroken. Of Andrei na de zesde lekke band om zijn Moldavische moeder had gesmeekt? Of hij bij het bekijken van de video niet een beetje geschrokken was van die ogen als loopgraven in een masker van modder en gruis? Of Elena op haar klapstoeltje in Roubaix misschien ook iets had gevoeld van het epos van kou en ontbering dat op dertig kilometer van de aankomst als een beer over de rug van haar man was gevallen? Dat soort vragen.

Wielerjournalisten hebben gevoelige antennes om succes te verheffen tot een metafysisch principe. Ze zijn steeds op zoek naar bevestiging van de heroïek, van de legende die ze zelf, in vorige edities, hebben opgeroepen. Tant qu'il y aura des hommes, kopte een krant in vette letters op de vooravond van Parijs-Roubaix. Zolang er nog echte mannen zijn... Het perspectief dat daarmee wordt geopend is niet te behandelen in een banaal wedstrijdverslag. Dan moet je de dag nadien nog even naar Tourcoing, naar Andrei en Elena.

Over het schitterende gevecht van man tegen man met Mu seeuw had de winnaar van de mooiste voorjaarklassieker weinig te melden: “C'est la vie.” Enthousiast werd hij pas toen zijn jeugd ter sprake kwam, in Kabarovsk vlakbij de Chinese grens. Tsjmil dankte de Russische autoriteiten dat ze hem in 1989, samen met nog dertien amateurs, de kans hadden gegeven om prof te worden bij het Italiaanse Alfa Lum. Voor een maandsalaris van achthonderdduizend lire (op dat ogenblik 1.100 gulden). “Veel geld.” Om zijn land te vergeten had hij zich in de schilderkunst gestort. Abstract.

Ik begreep nu waarom Andrei Tsjmil en niet Van der Poel Parijs-Roubaix had gewonnen. Het heeft helemaal niets te maken met EPO of mysterieuze hersenhormonen. Tsjmil fietst op de kracht van heimwee. Abdoesjaparov, Zhdanov of Poulnikov zullen hem dat zondag nadoen in Luik-Bastenaken-Luik of in de Waalse Pijl of in de Amstel Goldrace. Zij willen nog als een accordeon op de fiets hangen en toch door blijven gaan om te winnen. Opgejaagd door de herinnering aan de oude bomen in hun dorp, aan de stillevens in een Siberische enclave. Het grote gemis als doping, zoiets moet het zijn.

Jan Raas had dat in zijn tijd ook een beetje. Die wilde in de Tour zo gauw mogelijk drie etappes winnen om weer naar huis te kunnen gaan. Naar de praathuisjes in Zeeland. Het succes van de Italianen? De zuigkracht van de warme rug van La Mama natuurlijk en als het dat niet is in ieder geval het flanerende dorpspatriottisme met de vrienden. De ware kampioen is home-sick of op z'n minst besprongen door een gevoel van verlatenheid. De dag dat LeMond zijn hele familie van hotel naar hotel begon mee te slepen doofde het vuur in de pedaalslag. Nadat Phil Andersen zijn vriendin introduceerde als soigneuse van het team was het ineens over met de dolle demarages. Phil reed niet meer op nostalgiek verlangen - het silhouet van Sheila zat achter op de fiets.

Ook dit: kampioenen zijn per definitie eentalig. Dat houdt het proces van ontheemding in stand. Anquetil, Van Looy, Bartali bleven exclusief opgesloten in hun moedertaal. Bugno, Indurain, Chiappucci... ze kunnen niet eens een kop koffie bestellen in een vreemde taal. Breukink daarentegen kwekt zich zowat overal door Europa heen. Daar ligt zijn verlies. De Nederlandse renners van tegenwoordig voelen zich overal thuis, dromen niet meer over het vader- en het achterhuis. Ze converseren zich op en naast de fiets suf, zelfs in het diepste Zuiden van Frankrijk, Spanje en Italië. De luxe van kermisbazen.

Zondag wordt het weer niets.

    • Hugo Camps