Heiligen tegen scherpslijpers; De stalinisering van de Sovjet-architectuur

Hugh D.Hudson Jr: Blueprints and Blood. The Stalinization of Soviet Architecture, 1917-1937. Uitg. Princeton University Press, 260 blz. Prijs fl.87,70

Hoe ziet de socialistische stad eruit? Met deze vraag hielden de constructivistische architecten zich bezig in de Sovjet-Unie tijdens het Eerste Vijfjarenplan (1928-1932). Het was een actuele kwestie, want het Vijfjarenplan voorzag in de bouw van honderden nieuwe industriesteden. Met erg praktische oplossingen kwamen de constructivisten niet. De grote stad was een ziekelijke uitwas van het kapitalisme en moest verdwijnen, dat stond vast. Marx en Engels hadden immers voorspeld dat onder het communisme het verschil tussen stad en platteland zou worden opgeheven. Maar over de te volgen methode verschilden de architecten van mening. Sommigen, de zogenaamde urbanisten, vonden dat er overal in het land steden moesten worden gebouwd van hooguit 50.000 inwoners die zouden worden ondergebracht in reusachtige communehuizen. Anderen, de 'desurbanisten', wilden dat iedere volwassene een eigen lichtgewicht hutje zou krijgen dat overal kon worden neergezet. Wonen en werken zouden in de nabije toekomst niet meer plaatsgebonden zijn. Heel de Sovjet-Unie zou worden bedekt met een net van verkeerswegen en electriciteitsleidingen, zodat de steden letterlijk over het immense land konden worden uitgesmeerd.

Zoals gewoonlijk in boeken over Sovjet-architectuur speelt ook in Blueprints and Blood - The Stalinization of Soviet Architecture van de Amerikaanse historicus Hugh D.Hudson Jr het stedebouwdebat tussen urbanisten en desurbanisten een sleutelrol. De idyllische plannen van de constructivisten leidden tot de eerste ingreep van de Communistische Partij in de bouwkunst. In 1930 veroordeelde de Partij in een resolutie 'de half-fantastische en schadelijke plannen' van de constructivisten. Een jaar later maakte Lazar Kaganovitsj, de rechterhand van Stalin, aan alle debatten over de socialistische stad een einde door doodeenvoudig te verklaren dat elke Russische stad, hoe groot ook, sinds de Oktoberrevolutie per definitie socialistisch was. Weer een jaar later werden alle architectenverenigingen per partijdecreet opgeheven en vervangen door de Unie van Architecten.

Terreur

In de meeste boeken over de Sovjet-architectuurgeschiedenis wordt dit als het eindpunt van het constructivisme beschouwd, maar Hugh D.Hudson laat zien dat de strijd tussen de modernistische en anti-modernistische architecten na 1932 doorging. Het duurde tot 1937, het jaar van het eerste Congres van de Unie van Architecten, voor alle architecten al dan niet gedwongen tot het socialistisch realisme waren bekeerd. Op basis van bewonderenswaardig graaf- en spitwerk in pas ontsloten archieven laat Hudson Jr voor het eerst zien hoe dit in zijn werk ging. Nauwgezet doet hij verslag van de vergaderingen van de Partij-architecten onder leiding van de Armeen Karo Alabjan, die weliswaar de minderheid vormden in de Unie maar er volgens een goede bolsjevistische traditie op uit waren de meerderheid aan zich te onderwerpen. Het is niet moeilijk te raden hoe die vergaderingen verliepen, maar toch is het weer verbluffend om te lezen hoe meedogenloos tegenstanders werden aangepakt. Eerst kozen de Partij-architecten zorgvuldig een slachtoffer uit, vervolgens schilderden ze hem af als trotskist, monopoliekapitalist, fascist of wat dan ook en ten slotte lieten ze hem royeren als lid van de Unie.

Het behoort tot het wezen van de terreur dat niemand zeker is van zijn lot. Ook in de architectuur kon het dus gebeuren dat degenen die geijverd hadden voor de val van hun 'trotskistische' collega's en zich altijd recht in de socialistisch-realistische leer hadden getoond, zelf als contrarevolutionaire spion werden ontmaskerd. Toch zijn er bij de stalinisering van de architectuur in vergelijking met die van bijvoorbeeld de literatuur weinig dodelijke slachtoffers gevallen. De enige die Hudson noemt, is Michail Ochitovitsj, de belangrijkste theoreticus van het desurbanisme. Hij bleef hameren op het belang van het individu in de architectuur en daagde daarmee het Stalinisme rechtstreeks uit. Op 5 april 1935 werd hij gearresteerd, twee jaar later kwam hij om in een concentratiekamp.

Populair

Ochitovitsj is voor Hudson de verpersoonlijking van het humanistische constructivisme. Voor de Amerikaanse historicus was de strijd tussen de constructivisten en hun tegenstanders er een tussen goed en kwaad. Hiermee geeft Hudson een wel erg rooskleurig beeld van het constructivisme en toont hij zich blind voor de duistere, totalitaire kant van de Russische hemelbestormers. Die kwam vooral tot uitdrukking in hun vergaande plannen voor communewoningen waarin ontsnapping aan het collectieve leven onmogelijk was. Het beruchte plan van Nikolaj Koezmin, dat in een strikte reglementering van het dagelijks leven voorziet en nog het meest doet denken aan een ontwerp voor een concentratiekamp, behandelt hij heel globaal in een paar regeltjes. Zo'n plan past dan ook niet in het beeld van het goede constructivisme.

Door de constructivisten als louter slachtoffers van Stalin af te schilderen is Blueprints and Blood een ouderwets boek geworden. In verschillende recente publikaties over totalitaire kunst en architectuur wordt de vraag gesteld in hoeverre het socialistisch realisme een continuering van de avant-garde is. Een belangrijk onderdeel van het modernisme was dat men met kunst en architectuur de wereld probeerde te verbeteren, zo luidt een van de antwoorden, en deze opvatting keert terug in het socialistisch realisme: de constructivistische omschrijving van de kunstenaar-architect als 'ingenieur van de ziel' werd letterlijk overgenomen door Stalin. Het modernisme werd dus niet weggevaagd door het socialistisch-realisme maar opgeslokt en verteerd tot een populaire vorm, is de conclusie. Hudson gaat helemaal niet in op deze recente discussie, hoewel het door hem gebruikte materiaal over de strijd tussen het modernisme en het socialistisch realisme daar juist alle gelegenheid toe biedt.

De nadruk op de de heiligheid van het constructivisme doet Hudson ook voorbij gaan aan iets anders, namelijk dat het stalinisme met geweld een fundamenteel probleem van de modernistische architectuur heeft opgelost. Modernistische architectuur was (en is) een bouwkunst voor ingewijden en niet populair bij leken. De constructivistische communehuizen en andere gebouwen werden met afgrijzen bekeken door de Sovjetarbeiders. In zulke kazernes wilden ze niet wonen. Het is altijd onduidelijk gebleven wat socialistisch realisme in de architectuur nu precies inhield, maar een ding stond vast: de gebouwen moesten in de smaak vallen bij de bevolking. En dat deden (en doen) de metrostations, de nieuwe Gorkistraat en, later, de Moskouse wolkenkrabbers dan ook. Wie wel eens met een groepsreis naar Moskou is geweest, heeft ongetwijfeld moeten vaststellen dat dit nog steeds de attracties zijn die op de meeste bijval van de toeristen kunnen rekenen. Daarom is het socialistisch realisme nog steeds actueel, maar Hudson heeft het bij een degelijke studie van een schijnbaar definitief voorbije periode gelaten.

    • Bernard Hulsman