Een uitgever heeft de handen uit de mouwen te steken

“Ik ben Goddank! geen speculant alléén, maar daar loopt ook een droppeltje liefde voor de wetenschap en literatuur door mijn bloed.” Dit schreef de Haarlemse uitgever A.C. Kruseman in 1853, toen hij ruim tien jaar werkzaam was in het boekenvak. Bij zijn overlijden op 15 april 1894 werd hij allerwegen herdacht als een 'edelman' in de handel. Hij was een van de belangrijkste uitgevers van de negentiende eeuw, vanwege het fonds dat hij opbouwde, vanwege de studies die hij schreef, vanwege de maatschappelijke rol die hij vervulde.

Kruseman werd in 1818 geboren te Haarlem als zoon van een apotheker. Zoals gebruikelijk leerde hij het vak bij een aantal gevestigde boekhandelaars en uitgevers. In feite leidde men in de eigen zaak zijn toekomstige concurrenten op. De verhoudingen tussen boekhandelaren in de vorige eeuw kenmerken zich dan ook vaak door een merkwaardige mengeling van vriendschap en wedijver. Kruseman was onder andere in de leer bij de Erven Bohn te Haarlem, de uitgevers van de Camera obscura. F. Bohn had de gewoonte om zijn eigen uitgaven pas maanden na verschijnen te leveren aan zijn Haarlemse collega's. Hetgeen Kruseman bracht tot de constatering: “Als de room van de melk is, geeft hij ons het witte water”.

Kruseman vestigde zich in 1840 als boekhandelaar. Met zijn eigen uitgaven had hij aanvankelijk weinig succes, maar allengs kreeg hij steeds meer relaties. Zo maakte hij levenslange vrienden van de dichters S.J. van den Bergh en W.J. van Zeggelen, de zielen van de Haagse literaire wereld. Zij waren de oprichters van het letterkundige genootschap Oefening Kweekt Kennis, waar heel literair Nederland te gast was. Met name Van den Bergh bewees Kruseman voortdurend diensten als redacteur van almanakken, tijdschriften en andere uitgaven. Bovendien had Kruseman het geluk dat in de jaren vijftig enkele schitterende vernuften in Haarlem hun loopbaan begonnen: de latere hoogleraren J.Th. Buys, S.A. Naber en H.P.G. Quack en de beste essayist van zijn eeuw, Conrad Busken Huet. Kruseman raakte met hen bevriend, betrok ze bij zijn projecten en stak bij gelegenheid zijn nek voor hen uit, bijvoorbeeld door de modern-theologische geschriften van Huet uit te geven.

Kruseman formuleerde de taak van de uitgever als volgt:

“Is hij een man op zijn post, een helderdenkende, zelfstandige persoonlijkheid, dan heeft hij zelf de oogen om zich heen te slaan en de handen uit de mouwen te steken. Dan neemt hij zijn tijd en diens behoeften waar. Dan schept hij zelf zijn ondernemingen, gesteund door de beste krachten die het hem zal mogen gelukken voor zijn plannen te winnen. Dan is hij meer dan handelaar enkel; dan heeft hij aandeel in de bewegingen, moge het zijn in den vooruitgang zijns tijds op het gebied van wetenschap, kunst en maatschappelijk belang; dan is hij een macht.”

Natuurlijk was het zaak ook het commerciële aspect van het bedrijf in het oog te houden. Een uitgever had weliswaar de plicht om wetenschap en kunst te dienen, maar 'zich haar ten believe uit te kleeden, is een maatschappelijke zonde'. Wat dit aangaat betaalde Kruseman zelf leergeld met een aantal projecten, zoals de uitgave van het Zondagsblad in 1860-1861: een hoogwaardig weekblad, dat volgens zijn Amsterdamse vriend en collega Frederik Muller te goed was om voldoende lezers te trekken.

Een van de meest prestigieuze projecten van Kruseman was de uitgave van de vijftien delen Verzamelde gedichten van Willem Bilderdijk, verzorgd door Is. da Costa. Niemand geloofde erin, maar het werd een doorslaand commercieel succes. Kruseman bestookte het publiek en de boekhandel met 40.000 prospectussen en 7000 aanplakbiljetten. Uiteindelijk leverde dit hem een kleine 1700 intekenaren op. Dat het merendeel van deze exemplaren naar het getuigenis van Conrad Busken Huet, onopengesneden in de kast werd gezet, doet niets af aan het belang van deze uitgave. Was het niet Geert van Oorschot die verklaarde dat de uitgave van de Oeuvres complètes van Belle van Zuylen juist mogelijk gemaakt werd door de niet-lezende intekenaars die slechts het prestige van hun boekenkast wilden opvijzelen?

Belangrijke uitgaven van Kruseman waren populariserende tijdschriften als Kennis en Kunst, Album der Natuur en De Aarde en haar Volkeren en het familieblad Eigen Haard. Samen met Carel Vosmaer was hij het brein achter een reeks studies over De voornaamste godsdiensten, waaraan de meest vooraanstaande geleerden meewerkten.

In 1877 trok Kruseman zich definitief terug uit de uitgeverij. In de jaren die hem nog restten wijdde hij zich op instigatie van Frederik Muller aan de geschiedschrijving van de Nederlandse boekhandel. In 1887 voltooide hij zijn Bouwstoffen voor de geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel, gedurende de halve eeuw 1830-1880, een nog steeds veelvuldig geraadpleegd werk van ruim 1700 pagina's. Het boek bevat een macht aan informatie, maar ontleent zijn aantrekkelijkheid ook aan de essays die Kruseman wijdde aan allerlei collega's.

Kruseman had de neiging zijn eigen verdiensten te relativeren. Maar zijn tijdgenoten beschouwden hem als een belangrijk man. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het boek van 1100 bladzijden dat de Haarlemse bibliothecaris J.W. Enschedé in 1898-1899 aan hem wijdde. Enschedé concludeerde dat Kruseman inderdaad de 'macht' was die de uitgever volgens hem moest zijn. Hij wist de juiste auteurs aan zich te binden; hij inspireerde deze schrijvers met zijn plannen en kleedde hun geesteskinderen in fraai gewaad. Werkend op de achtergrond stuwde hij anderen voort in de richting die door hem werd aangegeven: 'een richting artistiek, degelijk, voornaam'.