Een fooi is alles wat ik wil; Autobiografie van Tony Curtis

Tony Curtis en Barry Paris: Tony Curtis the Autobiography. Uitg. Heinemann, 352 pag. Prijs fl.59,80.

Zijn naam komt in de recensies nergens voor. Tony Curtis was in 1949 niet meer dan een beginnende twintiger die in The Lady Gambles het archetypische debutantenrolletje te spelen kreeg: de jongeman die een brief binnenbrengt. Als bellboy in een hotel moest hij de enveloppe overhandigen aan Barbara Stanwyck, de ster van de film, en hij had er een regel tekst bij: “It looks like it followed you halfway across the country.” Eindeloos stond hij die ene zin achter het decor te prevelen, met telkens de klemtoon op een ander woord. Wat had de schrijver bedoeld? Waar school de dramatische lading in deze tekst? Moest de nadruk op looks of op country? Opeens stond regisseur Michael Gordon naast hem. De man begreep het dilemma. Hij keek Curtis even aan en zei toen: “All you want is a tip.”

Dat was, zegt Tony Curtis in zijn zojuist verschenen autobiografie, de beste regie-aanwijzing die hij ooit heeft gehad. Natuurlijk, hij moest helemaal geen dramatische lading in de woorden zoeken - die knaap stond daar, op de drempel bij mevrouw Stanwyck, alleen maar te hengelen naar een fooi. Curtis herinnert zich niet hoe hij die zin tenslotte heeft gezegd, maar het was blijkbaar in een keer goed. En tot op de dag van vandaag spelen de woorden van Michael Gordon door zijn achterhoofd bij elke rol die hij speelt. “Alles wat ik wil, is een fooi. Ik wil dat er iemand is die denkt dat ik net een beetje beter ben dan er van me wordt verwacht.”

Tony Curtis heeft zijn vak al filmend geleerd. Dat beaamt hij zelf. Nog maar net was hij begonnen met toneelspelen, via de Dramatic Workshop in New York. Het stelde nauwelijks iets voor. Maar op een dag, in 1948, kwam er een agent die hem meenam naar Hollywood. Niet omdat hij zo'n briljant acteur was, maar omdat hij er goed uitzag. Een lenig lijf, een scherp gesneden hoofd met veel zwart haar en dromerige ogen, een sterke mond en gladde wangen. Hij keek er niet van op dat ze hem een mooie jongen vonden, hij vond het zelf ook. Zo zeilde hij door zijn eerste rollen; zo lang zijn haar maar goed zat, was dat belangrijker dan het psychologisch uitdiepen van een karakter. In het begin van zijn filmcarriere viel er trouwens niet veel uit te diepen; hij hoefde alleen maar de nieuwe Erroll Flynn te zijn.

De eerste jaren in Hollywood was hij alleen maar met zijn eigen uiterlijk bezig. En met het verleiden van jonge actrices, want dat hoorde erbij, vond hij. “Ik dacht dat er in de kleine lettertjes van mijn contract een clausule stond dat ik een verhouding moest hebben met al mijn tegenspeelsters. Ik wist zeker dat ik daartoe contractueel verplicht was, en op twee of drie uitzonderingen na, heb ik dat dan ook gedaan.” Dat hij al snel getrouwd was - met de actrice Janet Leigh - vormde geen beletsel. Niemand heeft ooit geweten, onthult hij nu, dat het idee voor The Apartment van Billy Wilder, waarin iemand zijn flat beschikbaar stelt voor het gevarieerde liefdesleven van een vriend, gebaseerd was op een soortgelijke afspraak tussen Tony Curtis en een kennis. Maar de hoofdrol in die film ging naar Jack Lemmon, want Wilder vond dat Curtis er te knap voor was.

Valse neus

Pas gaandeweg groeide bij Tony Curtis het besef dat zijn uiterlijk tegen hem ging werken. Binnen enkele jaren was hij uitgegroeid tot een onmiskenbaar kassucces, maar niemand in Hollywood nam hem serieus. Hij was de mooie jongen die met onbenullige avonturenfilms veel geld in het laatje kon brengen, meer niet. Toen hij auditie deed voor de bekrompen negerhater in The Defiant Ones (1958), tegenover Sidney Poitier, plakte hij zichzelf een valse neus op - anders had hij die rol nooit gekregen. En hij moest opboksen tegen de method-rage, die voorschreef dat een acteur alle emoties in een rol uit zijn eigen leven moest halen. “Ze namen de eigenaardigheden en het genie van een man, Marlon Brando, en probeerden daar een school van te maken. Andere acteurs trachtten hem na te doen en kopieerden zijn introspectieve stijl, maar het was gewoon Marlons eigen, persoonlijke soort gekte, en die kon niet gedupliceerd worden.” Langzamerhand begon Curtis er een eigen stijl tegenover te stellen, snel van begrip en vrij van behaagzucht. Met instemming citeert hij wat Cary Grant eens tegen hem zei over het wezen van goed acteren: “zo kunstig, dat het geen kunst meer lijkt.”

Maar natuurlijk bracht hij ook zelf zijn karakterologische eigenaardigheden mee. In grote trekken was het verhaal van het straatvechtertje Bernie Schwartz uit New York, oudste zoon van Hongaars- joodse immigranten, al bekend. Curtis voegt er hier, tegenover zijn ghostwriter, onthutsende details aan toe. Er heerste oorlog in de straten van New York, zegt hij. joodse jongetjes moesten er in de jaren dertig steeds op bedacht zijn dat ze door Duitse jongetjes in elkaar konden worden geslagen. Meestal was hij - “a mean little fucker” - hen te vlug af. Hij ontwikkelde een antenne voor gevaar, die ook in werking bleef toen dat allang niet meer nodig was. Zijn snelheid en zijn knappe uiterlijk vormden zijn wapenen. Plus het feit dat niemand aan hem kon zien dat hij joods was. Hij viel pas door de mand als hij zijn naam moest noemen. Geen wonder dat hij al gauw besloot Tony Curtis te worden.

Zodra hij een ster was geworden, kwamen zijn ouders hem achterna. Zijn moeder leunde zwaar op hem, en drong erop aan dat zijn kleine, ietwat zwakzinnige broertje ook filmster zou worden. Curtis droeg de verantwoordelijkheid voor hen. Bovendien had zijn slordige liefdesleven hem een maandelijke alimentatielast opgeleverd die alleen kon worden opgebracht door alle filmaanbiedingen kritiekloos aan te nemen. In de loop van de jaren zeventig speelde hij, steeds ongeinspireerder, de ene tweederangsrol na de andere. Cocaine was de enige manier om zich daar doorheen te slaan. Begin jaren tachtig dreigde hij kapot te gaan.

Zonder er pathetisch over te doen, vertelt Tony Curtis in zijn in levendige spreektaal geschreven boek hoe hij er tenslotte in slaagde de hem opgedrongen schuldgevoelens van zich af te schudden en de balans van zijn leven terug te vinden. Hij wekt de indruk nu, op zijn 68ste, een vredig bestaan te leiden. Hij acteert veel minder dan vroeger - zijn meest recente film, Naked in New York met Whoopi Goldberg en Kathleen Turner, is hier nog niet uitgebracht - en schildert veel meer: enigszins Matisse-achtige stillevens in acryl waarmee in diverse galerieen goede zaken worden gedaan. De haast en de scherpte van vroeger zijn goeddeels verdwenen, al blijft hij op de laatste pagina's onbekommerd zijn liefde voor damesborsten belijden. En hij bekent eerlijk dat zijn dochter Jamie (Lee Curtis) gelijk had toen ze zei dat haar vader de neiging heeft, waar hij ook is, alle lucht uit de kamer te zuigen. “Nobody can work a room like I can,” zegt hij. “Als ik uitga, ben ik verzot op mijn uiterlijk en mijn presence. Ik ben dol op de manier waarop vrouwen naar mij kijken. Ik weet welk effect ik teweeg breng en daar geniet ik van.” Het is een ontwapenende bekentenis.

    • Henk van Gelder