De waarachtige epigoon; Het ingewikkelde vak van literair criticus

Een literair criticus kan het nooit goed doen. Laat hij zich vaak vriendelijk uit over een boek, dan rijst al snel de verdenking dat hij een lafaard is. Schrijft hij daarentegen geregeld een ongunstige kritiek, dan is het duidelijk dat hier een gefrustreerde schrijver aan het woord is. “Wie als criticus een schrijver geniaal noemt of zijn eruditie prijst, suggereert stilzwijgend zelf over minstens evenveel genialiteit en eruditie te beschikken.”

Dit een bekorte versie van het openbare college dat Janet Luis vandaag als gastcriticus van de Rijksuniversiteit in Groningen heeft gegeven.

Niemand wordt als criticus geboren, al kan een ietwat sceptische aanleg vast geen kwaad. Het is een vak, of, iets bescheidener uitgedrukt, een bezigheid die aangeleerd moet worden. Volleerd wordt men overigens nooit. Want routine is de doodsteek voor elke criticus. Hij of zij moet in in staat zijn, elke keer opnieuw, om zich door een boek te laten verrassen, er een ander mens door te worden, hoe tijdelijk misschien ook.

Een eenvoudig vak is het dus niet, hoe simpel het de buitenstaander vaak ook mag voorkomen. Dat zag ik een tijdje geleden bevestigd in een boek van Hella Haasse. In haar autobiografische relaas Zelfportret als legkaart, uit 1954, verwees zij naar een interessant experiment dat de Britse lector en criticus Richards ooit uitvoerde aan de universiteit van Cambridge. Richards liet zijn studenten Engelse taal- en letterkunde dertien gedichten beoordelen op literaire kwaliteit. De namen van de dichters gaf hij er niet bij. Zo kon het gebeuren dat een van de 'Heilige Sonnetten' van John Donne er ineens bekaaid afkwam. “Dit gedicht is voor verbetering vatbaar”, oordeelde een van de proefpersonen bits.

Wat Hella Haasse veel meer verontrustte was dat de meningen over de dichters en de gedichten zo sterk varieerden. “De lectuur van deze kritische fragmenten verbluft en stemt tot nadenken”, schreef zij. En zij vervolgde: “In het hartstochtelijk pro of contra (-) wordt niet in de eerste plaats het gedicht in kwestie (-) maar vooral de geestesinstelling van de beoordelaar weerspiegeld.” De oordelen over de dichter Phillip James Bailey liepen uiteen van een nauwelijks beredeneerd 'Weg met hem!' tot 'Dit is prachtig', gevolgd door een hulpeloos 'Maar waarom eigenlijk?'

Bij dit experiment ging het om studenten die nog nooit eerder een oordeel op schrift hadden gesteld. Een criticus, een echte criticus, kan zich dergelijke primitieve oordelen niet permitteren. In het dagelijkse leven staat men altijd klaar met kloeke, maar onberedeneerde uitspraken. Een boek is goed, slecht of middelmatig, uitspraken die maar zelden van argumenten worden voorzien. “Ik heb het in een adem uitgelezen”, zo verklaart de tevreden lezer zich nader. En de teleurgestelde lezer moppert, als aanvulling op zijn ondubbelzinnige veroordeling van het boek, dat er “gewoon niet doorheen te komen was”. Een criticus, hoe argeloos ook, weet dat hij met dit soort oordelen niet hoeft aan te komen.

Vrouwennamen

Ik heb mijn eerste schreden op het kritische pad niet in de laatste plaats te danken aan positieve discrimatie. Men wilde bij Het Parool, halverwege 1984 'een vrouw', omdat er zo weinig vrouwennamen voorkwamen op de kunstpagina's. Ik kreeg de opdracht twee proefstukken te schrijven. Omdat het een slappe tijd was - zo tussen voorjaars- en najaarsaanbieding in - waren het twee herdrukken. Ik vond het toen niet raar dat ik oude boeken te bespreken kreeg en ging ijverig, maar ook wat nerveus aan de slag. Heen en weer geslingerd tussen wanhoop en hoogmoed en bijgestaan door flinke stapels secundaire literatuur, schreef ik twee proefstukken. Het eerste ging over de roman Doen alsof, uit 1960 van Adriaan van der Veen, het tweede over een verhalenbundel, Proza getiteld, eveneens uit 1960, van Leo Vroman. De proefstukken werden goedgekeurd en, dat was nog wel het meest curieus, ook geplaatst. Vroman kwam er goed af. “Vromans proza: wel oud, niet verouderd”, zo luidde de kop boven het stuk. Maar Adriaan van der Veen, met wie ik, om zo te zeggen, debuteerde, moest het ontgelden, 25 jaar nadat zijn roman gunstig tot zeer gunstig was ontvangen door de toenmalige critici. En, maar dat las ik pas later ergens, ruim twintig jaar nadat de vertaling ervan door het gerenommeerde Engelse maandblad Books and Bookmen was uitgeroepen tot de beste Europese roman van 1963. Ik volsta met het citeren van mijn slotzin: “Doen alsof is kortom een al te simpel boek, dat naar mijn smaak niet herdrukt had hoeven worden.” Duidelijke taal, waarmee ik het nog steeds eens ben, al zou ik nu in een slotzin het woord 'kortom' vermijden en in het algemeen de woorden 'naar mijn smaak'. Toen het in de krant stond, voelde ik me niet speciaal blij of trots. Met de ogen van een vreemde keek ik ernaar. Zo gaat dat dus, dacht ik, al enigszins blase. Je schrijft iets, ze drukken het af en dan staat er een blokje tekst in de krant met je naam eronder. En dat is het dan. Maar de volgende dag ging de telefoon. “Dag mevrouw Luis”, zei een sonore stem. “U spreekt met Adriaan van der Veen”. Ik zweeg perplex. De precieze bewoordingen herinner ik me niet meer, maar het kwam erop neer dat hij het grondig oneens was met mijn recensie en er graag eens met mij over van gedachten zou wisselen in cafe De Roode Leeuw. Ik stemde bedremmeld toe. Want wat moest ik? Nu pas realiseerde ik me wat ik had gedaan en wat het was om in een krant te schrijven. Je werd openbaar, en ze wisten je te vinden. Later bleek dat mij een poets was gebakken door een vriend die zijn stem had verdraaid. Een smadelijke afgang in De Roode Leeuw bleef mij bespaard. Maar ik was niet echt opgelucht. De kiem was gezaaid voor een blijvend gevoel van, ja van wat eigenlijk precies? Onrust, onwelbehagen? Het besef dat je als criticus ook weer bekritiseerd kon worden?

Een criticus heeft twee gezichten. In de dagelijkse omgang kan hij een bescheiden, teruggetrokken, ietwat verlegen iemand zijn, die veel van literatuur houdt en er ook het beste mee voorheeft. Maar hij is ook degene die zich oordelen aanmatigt over anderen en die niet terugschrikt voor gepeperde uitspraken, die een veel schriller beeld werpen op zijn aard en inborst. Het contrast tussen die twee gezichten lijkt het grootst bij een negatieve recensie. Maar ook in een positieve recensie gaat veel aanmatiging schuil. Wie als criticus een schrijver geniaal noemt of zijn eruditie prijst, suggereert stilzwijgend zelf over minstens evenveel genialiteit en eruditie te beschikken. Hij is nog knapper dan de schrijver. Hoe zou hij dat anders kunnen beoordelen? Enigszins beklagenswaardig is de criticus wel, want hij kan het nooit goed doen, hoe goed hij zijn best ook doet. Laat hij zich vaak vriendelijk uit over een boek, dan rijst al snel de verdenking dat hij een lafaard is. Schrijft hij daarentegen geregeld een ongunstige kritiek, dan is het duidelijk dat hier een gefrustreerde schrijver aan het woord is. Ook in praktisch opzicht staat de criticus voor een schier onmogelijke taak. Hoe kan hij in honderd regels een adequaat beeld, een samenvatting, een interpretatie en een beredeneerd oordeel geven van en over een boek van 250 bladzijden? Dat kan dus niet. Of het kan wel, maar alleen met het nodige kunst- en vliegwerk en door de ogen te sluiten voor alles wat ook aan de orde had kunnen en zelfs had moeten komen, maar wat helaas niet in het betoog van de criticus past.

Met dat betoog is het soms merkwaardig gesteld. Mij overkomt het wel eens dat een boek waarvan mijn aanvankelijke indruk ongunstig was, zich tijdens het recenseren als het ware rehabiliteert en van een steeds gunstiger zijde laat zien. Aanpassingen zijn dan halverwege noodzakelijk. Een zuinige inleiding komt er royaler uit te zien en sommige bijvoeglijke naamworden worden vervangen door andere. Met nog enkele andere ingrepen, vaak verrassend kleine ingrepen, verandert een 6- in een handomdraai in een 8+. Ook het omgekeerde komt voor.

En er is de oneerbiedige factor tijd. Een schrijver doet al gauw enkele jaren over een boek. De criticus daarentegen gunt zich meestal maar een week om zich datzelfde boek eigen te maken. Een week lijkt veel te kort voor een bezonken oordeel, maar uit eigen ervaring weet ik dat een langere perode van intensief nadenken niet per se tot een rijper oordeel hoeft te lijden.

Cultuurpessimisme

Het is een ingewikkelde branche, de literaire kritiek, waarover veel tegenstrijdigs wordt beweerd. Zo hoor ik geregeld dat er te veel besproken wordt, zodat er geen duidelijke rangorde meer te ontdekken zou zijn op de literatuurpagina. Maar even geregeld hoor ik dat er juist te weinig besproken wordt, dat grote en gevestigde schrijvers wel en beginnende of halfgevorderde schrijvers niet of onvoldoende aan bod komen. De kritiek heeft grote invloed, denken velen, en ze vinden dat een dubieuze zaak. Vele anderen merken daarentegen schamper op dat de kritiek 'tegenwoordig' minimale invloed heeft, omdat 'de televisie' en 'de commercie' de macht zouden hebben overgenomen.

Ik behoor niet tot de cultuurpessimisten. Ik ben niet zo bang dat toptienlijsten, de AKO- en de Librisprijs, de televisie, het Connie Palmen-effect, het grote, volgens velen veel te grote boekenaanbod de serieuze aandacht voor het goede, maar slecht verkopende boek weg zullen nemen. Niemand wordt ertoe gedwongen om alle recensies in alle kranten te lezen, uitsluitend boeken van de toptienlijst te kopen of uitsluitend genomineerde boeken te lezen. De grote angst is dat het boekenaanbod zal verschralen. Ik heb daar nog niets van gemerkt. De Nederlandse poezie wordt alom geprezen om haar veelzijdigheid, ondanks zeer kleine oplagecijfers. Ook met het Nederlandse proza gaat het in de breedte en in de diepte goed. Keren wij terug naar de criticus. Wijd verbreid is de veronderstelling dat hij bij een ongunstige bespreking wel een appeltje te schillen zal hebben gehad met de schrijver. Bij een gunstige bespreking wordt al gauw gedacht aan vriendschappelijke betrekkingen of aan een wederdienst.

Nu komt het vast wel eens voor dat er enige berekening in het spel is. In het algemeen is het daarom voor de criticus raadzaam om zich zo afzijdig mogelijk te houden van 'het literaire leven'. Ik betrap mezelf ook wel eens op zo'n komplotgedachte als ik andermans recensies lees. Maar zulke gedachten zijn af te raden. Ten eerste omdat ze het gemoed met veel zijdelingse kwesties belasten die niet echt interessant zijn. En ten tweede omdat de komplotgedachte veel dagen zal verzuren. Nooit kun je iemand op zijn woord geloven, want altijd steekt er iets anders achter.

Hiermee wil ik niet zeggen dat een recensie altijd zuivere koffie is, maar dat is geen kwestie van onwil of onoprechtheid. Ik geloof werkelijk niet dat er critici zijn die er nu eens even recht voor gaan zitten om iemand in de pan te hakken. De criticus is veel trouwhartiger dan u denkt, maar heeft wel zo zijn omstandigheden. Hij heeft een bepaalde leeftijd, hij is van een bepaald geslacht, hij verkeert in een bepaalde stemming, hij heeft een bepaald temperament en hij is meer of minder belezen. Ook zijn er externe factoren. Kees Fens wees eens op het verschijnsel dat de kritiek haar normen aan past aan de toevallige stand van zaken in de literatuur: “Naarmate de literatuur in een bepaald tijdvak beter is, wordt de kritiek kritischer.”

Over de individuele normen van de criticus is altijd veel te doen. Het is waar dat een oordeel niet volgens een vast stramien tot stand komt. Het pas zich aan bij het te bespreken boek. De stijl kan de doorslag geven, maar ook de sociologische, de psychologische of de filosofische basis van het boek in kwestie. Nu eens leveren verhaaltechnische aspecten de meeste stof, dan weer de levensbeschouwelijke. Meestal is het een onnavolgbare mix van criteria die een bespreker op een boek loslaat.

Oer-ontroering

In de criticus leeft ook het kind dat hij ooit geweest is, de onnozele hals die zich het liefst laat overrompelen door iets dat zich nu juist niet laat beredeneren. Als ik beken dat ik graag door een boek word ontroerd, dan is dat zeker geen onbelangrijk verlangen. Maar het is ook weer geen absolute eis die ik aan een boek stel. Mijn oer-ontroering ligt in een boek dat ik las als kind. Waarschijnlijk zou ik het vergeten zijn als er niet alle plusminus 25 keer dat ik het las, om heb moeten huilen. Wilma van de koningshoeve heette het boek, dat geen schrijver had, want daar lette je vroeger niet op. Ik herinner mij betrekkelijk weinig van het boek. Er moet een boze stiefmoeder in het spel zijn geweest, die Wilma belette om een hoogzwangere koe in haar lijden bij te staan. Het dramatische hoogtepunt werd gevormd door het overlijden van het pasgeboren kalf. Of was het nu toch de moederkoe zelf, die bezweek? Hoe dan ook, bij deze cruciale passage moest ik keer op keer huilen. Zou ik toen al geweten hebben dat Wilma van de koningshoeve geen goed boek was? Waarschijnlijk niet. Ik weet in elk geval dat het nu geen schijn van kans zou maken om door welke kinderjury dan ook goedgekeurd te worden.

Het zal alles met vroeger te maken hebben en met het onbevangen lezen van toen, dat ik het nog altijd als een sterk punt van een roman of verhaal beschouw als ik er een stiekeme traan om weg kan pinken. Ik wil natuurlijk niet suggereren dat een boek alleen snikkend genoten zou kunnen worden. En voor alle duidelijkheid: het gaat steeds om bepaalde, cruciale passages. Over een ezel bijvoorbeeld, een verzoening, een telefoongesprek, of het eindeloos cirkelen in een auto om Trafalgar Square. Dichtbij de ontroering ligt de humor. Ik zou nooit als eis aan een boek stellen dat het geestig moet zijn, of dat je er hardop om moet kunnen lachen, maar het is altijd mooi meegenomen.

Intussen is een belangrijke vraag nog steeds niet beantwoord. Waarom zou de criticus zich elke keer zoveel moeite getroosten om zijn mening te laten horen? Voor het geld doet hij het niet, want dan zou hij zich beter kunnen omscholen tot informaticus, organisatie-deskundige of voetbaltrainer.

Voor S. Vestijk, die zelf kritieken schreef, was het een uitgemaakte zaak. Wraak. Dat lag volgens hem ten grondslag aan de bedrijvigheid van de criticus.

Ik wil me niet heiliger voordoen dan ik ben, maar ik heb me nooit op dergelijke algemene wraakgevoelens weten te betrappen. Er is een betere reden: het recenseren is een verslaving. Niemand wordt als criticus geboren. Maar als je na de nodige oefening een oordelend vermogen ontwikkeld hebt of meent te hebben, dan lijkt een leven zonder oordeel ineens een troosteloze en chaotische boel. Want dat is het wat het schrijven van een kritiek zo bevredigend maakt, als het lukt. Het is prettig om ergens greep op te krijgen. Het boek, ieder willekeurig boek in principe, kan als centrum dienen van waaruit de wereld begrepen kan worden, al is het maar tijdelijk. Of juist niet begrepen, als dat het thema van het boek blijkt te zijn.

De criticus is een verslaafde. Ik lees zelden een boek louter voor mijn plezier, en dat klinkt droeviger dan het is. Het gaat mij niet goed meer af om in het wild te lezen, zonder pen en papier om mooie passages over te kunnen schrijven, een gedachte te kunnen formuleren. Het is of een boek na lezing spoorloos verdwijnt als je er geen uitspraak over hoeft te doen. Waaruit mijn verslaving nu precies bestaat? Niet alleen uit het lezen en bespreken van boeken, maar ook uit het schrijven van stukken, van mooie en goede stukken bij voorkeur, die graag gelezen worden, zelfs al zou men zich niet voor de besproken schrijver interesseren. Ik haast mij nu om een voorbehoud te maken. Elke recensie is een poging om recht te doen aan het besproken boek, ook als het boek slecht is. In zoverre staat de geniaalste criticus nog bij de allerberoerdste schrijver in het krijt. De literaire kritiek is een parasitair genre, dat alleen kan bestaan bij de gratie van voldoende lectuurvoorziening. De criticus heeft geen macht over de schrijver, maar de schrijver heeft macht over hem, al lijken de rollen in de praktijk wel eens omgekeerd. De ware criticus is geen gemankeerde schrijver, maar een waarachtige epigoon, een trouwhartige exegeet die zich week in week uit openstelt voor nieuwe inzichten, verrassende wereldbeelden, mooie woorden en zinnen en natuurlijk ook voor een lach en een traan.

Ik geloof niet dat daar iets mee mis is, als de criticus zijn plaats maar kent en zijn beperkingen voor lief neemt.

    • Janet Luis