De dagboeken van een voyeur; Sophie Calle, observeert anderen en zichzelf

Sophie Calle is een indringer. Ze snuffelt in de kamers van hotelgasten, ze stuurt een onbekende kledingstukken, ze achtervolgt en fotografeert zomaar een man in Venetie. Op haar tentoonstelling in museum Boymans-van Beuningen maakt ze de kijker medeplichtig.

Sophie Calle: Absence. Museum Boymans-Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. T-m 28 mei. Di t-m za 10-17u, zo 11-17u.

Sophie Calle: Het adresboekje. Vert. Jan de Heer. Uitg. Duizend & Een, 64 blz. Prijs fl.29,50.

De rode plastic emmer staat in een vitrine in het nieuwe paviljoen van museum Boymans-van Beuningen op een plaats waar hij niet hoort: tussen voorwerpen uit de vijftiende eeuw. Er ligt een wit papier bij met een tekst in het Nederlands en Engels van de in 1953 geboren Franse kunstenaar Sophie Calle. xpWat verderop bevinden zich in vitrines ook een scheermesje, een tv-gids, een rode schoen en nog wat alledaagse voorwerpen die strikt genomen helemaal niet in het museum thuishoren. Toch zijn ze er binnengedrongen en in museumstukken veranderd, en dat moet wel betekenen dat het museum grote waarde hecht aan wat de kunstenaar erbij heeft geschreven. Dat zijn telkens zeer korte, zeer persoonlijke, niet al te zorgvuldig geformuleerde vertellingen die je haar, als je een walkman huurt, ook nog hoort voorlezen, gelardeerd met muzakkige klanken van Laurie Anderson.

'In mijn fantasieen ben ik de man,' begint Calle haar verhaal bij de emmer. 'Greg merkte dat al gauw. Misschien stelde hij me daarom op een dag voor hem te laten plassen.' Daarna ontwikkelt zich tussen dit paar een ritueel waarbij de rode emmer tenslotte uitgroeit tot een dramatisch symbool, althans voor Calle, want wat de andere partij ervan vindt, komen we niet te weten. Hoogst waarschijnlijk heeft de emmer voor hem die bijzondere betekenis helemaal niet gehad. Een bruine stropdas is zeker uitsluitend voor Calle een symbool geweest, want zij heeft er in het verborgene een persoonlijk geheim omheen geschapen. 'Ik heb hem op een dag in december 1985 gezien,' schrijft ze. 'Hij gaf een lezing. Ik vond hem verleidelijk. Maar een ding stond me niet aan: zijn stropdas. De volgende dag stuurde ik hem anoniem een beschaafde bruine das. Een paar dagen later zag ik hem in een restaurant: hij droeg mijn stropdas.' Calle heeft de man vervolgens enkele jaren achtereen voor Kerstmis een kledingstuk toegestuurd, zonder zich ooit aan hem bekend te maken.

Intimiteit

Ritueel. Bewust gekozen anonimiteit. Geheim. Telkens weer zie je die begrippen, die zo belangrijk zijn voor bepaalde religieuze en erotische belevingen, opduiken in het oeuvre van Sophie Calle. Ze vermengt ze, probeert er verschillende hoedanigheden en vormen van uit, speelt ermee tot er ten slotte iets ontstaat wat de indruk wekt van grote intimiteit. Die intimiteit is vrijwel altijd erotisch gekleurd.

De blonde pruik is daar een uitgesproken voorbeeld van. Calle vertelt bij deze pruik over een van haar geheime erotische jongemeisjesrituelen en verbindt deze aan een dagelijkse vermomming met een blonde pruik op latere leeftijd, die haar werk in een stripteasetent anoniem moest houden. Wanneer je dat eenmaal weet of gelooft, lijkt de pruik een metamorfose te hebben ondergaan. Van nietswegend alledaags object is zij plotseling een voorwerp met zwaarte geworden waarin iemands herinneringen tot een compacte massa zijn samengeperst.

Nu rechtvaardigt dat nog niet haar aanwezigheid in het museum. De meeste mensen zullen wel ergens in huis zo'n zwaar met herinneringen beladen voorwerp hebben, waarvan de portee anderen totaal ontgaat. En zelfs wanneer de bezitter iets van de intieme lading aan ons prijsgeeft, dan nog kunnen wij daaraan nauwelijks deel hebben. Wij blijven buitenstaanders, zelfs meer dan tevoren omdat we nu weet hebben van de ondeelbare gevoelens die erin opgeslagen liggen. Calle moet naar middelen hebben gezocht om de frustratie die dat veroorzaakt te overkomen en ze heeft iets gevonden wat de kracht van haar werk uitmaakt: ze schuift zichzelf naar voren zoals ze dat met haar voorwerpen in het museum doet - als indringer. Een indringer zonder naam en zonder duidelijke identiteit, waardoor we ons min of meer met haar kunnen identificeren.

Het project waarmee ze op die manier haar entree heeft gemaakt in de kunstwereld heet 'Suite Venitienne' en is in 1983 als boekje uitgebracht, voorzien van een uitvoerig nawoord van de filosoof Jean Baudrillard. Calle verhaalt daarin op dagboekachtige wijze hoe ze een haar onbekende man tijdens zijn verblijf in Venetie van dag tot dag op afstand volgt en illustreert dat met foto's die ze heimelijk van hem maakt.

De man en zijn doen en laten zijn niet erg opwindend, maar daar gaat het ook niet om. Wat de spanning veroorzaakt, is de bijna rituele toewijding waarmee Calle probeert in zijn leven binnen te dringen zonder dat hij daar maar het flauwste vermoeden van heeft. Hij mag niet merken dat hij intensief gevolgd, geobserveerd, gefotografeerd en becommentarieerd wordt. Wanneer hij haar op een dag toch betrapt, reageert hij agressief, alsof hij beseft dat hij beroofd is, dat iemand zich stiekem, als een parasiet, in zijn leven heeft gedrongen om er haar eigen verhaal van te maken.

Calle had op het moment dat haar geheim is ontdekt, haar anonimiteit is opgeheven en haar indringerspraktijken riskant zijn geworden, haar project op kunnen geven. Het zou een vrij logisch einde zijn geweest. Maar ze gaat door, nog meer verholen, angstig maar volhardend alsof haar leven ervan afhangt. En misschien doet het dat ook wel, in ieder geval het verhaal van haar leven.

Kamermeisje

Calle lijkt gedreven door de behoefte van zichzelf een verhaal te maken. Kunst biedt haar daar de vormen voor, en het excuus. Ongegeneerd snuffelt ze als kamermeisje in de spullen van hotelgasten, fotografeert hun beslapen bedden en stelt haar bevindingen op broeierige toon op schrift (de publikatie Hotel uit 1984).

Het concept dat ze bedenkt, legt haar altijd de rol op van geheime observator, iemand die zowel aan- als afwezig is. Die rol maakt het haar mogelijk om zonder dat anderen het merken de touwtjes min of meer in handen te nemen en haar eigen verhaal te maken, dat wil zeggen ordening aanbrengen, verbanden leggen en betekenis geven aan wat eerst als volstrekte chaos overkomt, het leven van alledag.

Haar methode is zowel eenvoudig als verleidelijk: alles wordt in het kader gezien van een geheime lichamelijkheid, die van Calle zelf. 'I wear a beige raincoat, a scarf and dark glasses', begint een van de notities in Hotel. Zij vertelt hoe zij onzichtbaar en tegelijk zeer lichamelijk aanwezig de bewegingen van de ander observeert, beschrijft zijn (want het is altijd een man) ondoordringbaarheid en lijkt daarin een zwakke plek te zoeken. Het gewoonste ding, een kamernummer, een zakdoek op de grond, het tijdstip van vertrek kan daarbij van belang worden en door Calle's ondervragende blik een erotische betekenis krijgen.

Dat wil niet zeggen dat alles van seksualiteit is doortrokken. Erotiek is bij Calle eerst en vooral de spanning tussen het lichamelijke en het niet-lichamelijke, feit en verbeelding, zoals ze aangeeft bij het andere van de twee projecten waaruit de tentoonstelling 'Absence' bestaat.

Dat werk bestaat uit een serie foto's van de lege plekken die een diefstal van kunstschatten in het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston heeft achtergelaten. Ernaast hangen gefotografeerde en ingelijste teksten van medewerkers van dat museum die door Calle gevraagd zijn naar hun herinneringen aan de verdwenen werken.

Aanwezigheid

Het effect dat Calle beoogt is duidelijk: de persoonlijke herinneringen en impressies zullen aan de afwezige werken een ongekend sterke aanwezigheid geven. Dat ze niet in haar opzet slaagt, ligt niet aan het concept, maar aan de lengte van de teksten, of het teveel aan werken in de zaal. Het langdurig moeten lezen van ingelijste teksten vervreemdt je van dat waar je in een museum voor komt: een gewaarwording van zintuigelijkheid.

Dit project bestaat uit het verhaal van anderen, die in zekere zin de rol van getuigen spelen: de verdwenen werken hebben bestaan want zij hebben ze gezien. Maar je vergeet geen moment wie de werkelijke verteller en regisseur is van dit spel van aanwezigheid en afwezigheid. Daar zorgt Calle wel voor met haar gevoel voor de kracht van het detail of het onbeduidende. Steeds schuift ze onopvallende dingen, een emmer, een lege plek op het behang, naar voren als moeten ze bewijzen dat haar verhaal meer is dan een persoonlijke interpretatie van de gebeurtenissen en een bepaald onwrikbaar werkelijkheidsgehalte heeft.

Wat je telkens weer in de verleiding brengt om Calle's verhaal te geloven is de medeplichtigheid die ze creeert doordat je je met haar als geheime, en dus min of meer naamloze observator kunt identificeren. Maar wat onmiddellijk daarop weer ongeloof veroorzaakt, is het besef dat Calle steeds een vorm gebruikt (bij voorkeur de dagboekvorm) die het haar mogelijk maakt niet alleen de ander te observeren maar ook zichzelf terwijl ze dat doet. Ze is zogezegd een dubbele voyeur.

Film

Die dubbelheid is in het kwadraat zichtbaar geworden in de film Double blind die Calle met Greg Shephard, een scenarioschrijver, in 1993 heeft gemaakt. De zwart-wit film, die jammer genoeg niet in het museum wordt getoond, is een dagboekachtige registratie van de autotocht door Amerika die Calle en Shephard samen hebben gemaakt. De twee, die elkaar nauwelijks kenden, hebben elkaar volgens afspraak tijdens de reis over en weer per camera begluurd en de beelden soms gelijktijdig, soms later voor ons van commentaar voorzien. Die commentaren zijn vaak pijnlijk, door de wanhopige verliefdheid van Calle, de ondoordringbaarheid van Shephard, maar vooral door de leegte die ieder in zichzelf lijkt te ervaren en uitwisseling onmogelijk maakt. Wanneer het stel, om redenen die geen van beiden begrijpt, in Las Vegas trouwt, vermoed je al hoe de film zal eindigen: met een scheiding enkele maanden later.

Wat de film interessant maakt, is niet de filmische kwaliteit, want die is op z'n zachtst gezegd amateuristisch, maar de strijd om de gebeurtenissen. Ieder lijkt die zich op zijn manier te willen toeeigenen en in een verhaal omzetten.

Calle is in deze film wel lichamelijk zichtbaar, maar houdt zich ook nu verschanst achter haar positie van observator, net als Shephard. Hun camera's werken als pantser. Je ziet een fragmentarische registratie van situaties en gevoelens die er werkelijk zijn geweest en waarbij ieder van de betrokkenen door de voortdurende aanwezigheid van de camera's zowel observator als geobserveerde was. Bovendien was er de wetenschap dat wat gebeurde onder de ogen zou komen van een publiek. Zo'n positie moest wel tot een ultieme verschansing leiden.

bp Zelden heb ik zo scherp het gevecht uitgelicht gezien om de eigen gevoelens te verbergen en te ontlopen door een bepaald imago of een verhaal van zichzelf te creeeren. Steeds zie je hoe niet vanuit maar over een situatie wordt gedacht: over hoe iets, de ander, de eigen persoon zouden kunnen of moeten zijn, alsof er vantevoren al een verhaal klaar lag. Shephard doet daarbij nog een enkele poging om zijn verhaal over zichzelf te doorbreken. Calle heeft zich opgesloten in het zelfbeeld dat haar hele oeuvre bepaalt: het beeld van de observator die zichzelf bedenkt.

    • Anna Tilroe