De Anne Frankstichting is niet per definitie goed; Regisseur Johan Doesburg over beulen, slachtoffers en antisemitisme

Johan Doesburg is regisseur van succesvolle produkties als Vastgoed BV en 06. Volgende week gaat zijn enscenering van Arthur Kopits Nirvana bij Toneelgroep Amsterdam in premiere. Met zijn allereerste regie, van Fassbinders Het vuil, de stad en de dood, veroorzaakte Doesburg in 1987 nationaal tumult. Schrijver en regisseur werden beschuldigd van antisemitisme en het stuk werd afgelast. “Als ik had kunnen zeggen dat ik joods was had de discussie een totaal andere wending genomen,” zegt Doesburg nu.

Nirvana van Arthur Kopit door Toneelgroep Amsterdam in de regie van Johan Doesburg. Premiere 20 april, Stadsschouwburg Amsterdam.

“Men moet dood,” zegt Johan Doesburg plompverloren aan het eind van het gesprek. Hij steekt zijn zoveelste sigaret op en kijkt zijn bezoeker uitdagend aan. “Wat men zegt, wat ze vinden - het laat me zo langzamerhand volkomen koud. Ik ben theatermaker en wil dus theater maken. Ik ben er niet om heilige huisjes te ontzien of politiek te bedrijven of brood te bakken. Afgelopen week vroeg ik een acteur wat hij zou doen op zijn zestigste. 'Dan speel ik allang niet meer,' zei hij. Dat vind ik heel merkwaardig. Het betekent dat hij er zeker van is voor die tijd zijn ultieme, definitieve rol gespeeld te hebben. Want daar doe je het toch allemaal voor. Ik wil een goede regisseur worden; zodra ik geen post-theatrale depressie meer heb omdat ik na de premiere bedenk dat het helemaal anders had gemoeten, stop ik. Dan is het doel bereikt.”

Naast de tafel in zijn woning aan de rand van de Haagse Schilderswijk hangen veertien witte overhemden aan een droogrek. Een 'tic' volgens de eigenaar, hij draagt iedere dag een schoon wit hemd. En een zwarte sjaal, die hij nerveuzig om de twee minuten herschikt. Op de tafel ligt een borstel, die hij soms onverwacht door zijn schouderlange haar klauwt. Praten met Doesburg is associeren. Het is afwachten waar alle terzijdes uiteindelijk in uitmonden en ook: hem zo nu en dan dringend verzoeken de ene gedachtengang eerst eens af te ronden alvorens aan drie andere te beginnen. Zo volgt de formulering van zijn levensdoel op een opmerking over zijn voornemen ooit de laatste en belangrijkste roman Mystiek Lichaam van wijlen Frans Kellendonk voor toneel te bewerken. Een omstreden, want door sommigen als antisemitisch beschouwd boek. Hij lijkt het erom te doen, zei ik. In zijn betrekkelijk korte loopbaan hebben immers al twee ensceneringen van Doesburg de premiere niet gehaald op grond van beschuldigingen van antisemitisme.

Eind 1987 veroorzaakte zijn voornemen Rainer Werner Fassbinders stuk Het vuil, de stad en de dood uit te brengen nationaal tumult. De enscenering was Doesburgs afstudeerprojekt aan de Amsterdamse Theaterschool. In Frankfurt was opvoering van het stuk al in 1985 onder druk van joodse organisaties afgelast. Hoofdpersonage en steen des aanstoots was A., de Rijke Jood, een gewetenloze onroerend-goedspeculant die aan het slot op haar eigen verzoek een prostituee doodt. Na een besloten voorstelling voor tweehonderd genodigden, waarbij de pers geweerd werd, besloten de theatermakers van verdere opvoeringen af te zien.

Jodenlawaai

Vergeleken bij de Fassbinder-affaire passeerde de tweede keer dat Doesburg van antisemitisme beschuldigd werd, geruisloos. De leiding van het Haagse Korzo-theater zag in 1990 af van de opvoering van zijn montagestuk Heksenjacht, omdat Doesburg in zijn toelichting in het programmaboekje het woord 'jodenlawaai' bezigde. In een lange brief aan Korzo schreef de regisseur onder meer: 'De term is racistisch. Wij ontkennen dat niet: dat is nu juist de reden om de term te gebruiken. Onze voorstelling gaat (-) daarover, maar behalve over racisme ook over overgevoeligheid, dubbele moraal etc.' Hij schreef van mening te zijn dat als de term 'jodenlawaai' te kwetsend is, ook woorden als 'nicht, flikker en gleuf' gebannen moeten worden. Hij besloot: 'Het is een standpunt voor morele zendelingen' en 'zo iemand wens ik niet te zijn.'

In een brief aan S.J. Heinink, die aan een boek werkt over de Fassbinder-affaire, schreef Doesburg over het woord jodenlawaai: 'Het woord moest de nieuwsgierigheid van lezers gaande maken en hen prikkelen. In die zin was het gebruik ervan inderdaad een provocatie, jazeker. Van een andere orde provocatief dus dan domweg op straat je broek laten zakken en je blote kont tonen aan een fotograaf van de krant'.

Johan Doesburg, nu 38, was 32 toen de Fassbinder-affaire losbarstte. Daarvoor studeerde hij 'een blauwe maandag' pedagogiek en Nederlands, was 'tussen de bedrijven door' taxichauffeur, hulp in een psychiatrisch ziekenhuis, lijkkistendrager en leraar Nederlands in het lager en middelbaar beroepsonderwijs. Eenmaal professioneel regisseur kreeg hij de, voor een nog onbewezen talent, unieke kans een gast-regie bij Toneelgroep Amsterdam te komen doen. Hij koos Georg Tabori's Mein Kampf - weer een stuk met een beladen inhoud voor overlevenden van de Holocaust - dat in 1988 zonder tumult in premiere ging. Volgden in hoog tempo eigen, 'no-budget'-produkties als Muizen en mensen, naar John Steinbeck en Grieks van de Engelse toneelschrijver Steven Berkoff.

In het seizoen 1991/1992 regisseerde hij bij Toneelgroep Amsterdam het uitermate succesvolle Vastgoed BV van David Mamet. Minstens evenveel succes boekte zijn regie van Decadence, opnieuw van Berkoff, vorig seizoen bij het Nationale Toneel. Dit seizoen maakte hij onder meer Celine, een solo voor Hans Dagelet die nog te zien is, en de veelbesproken, inmiddels uitgespeelde video/theaterproduktie 06, een alleen al in technisch opzicht opmerkelijk drama over telefoonseks. Volgende week gaat bij Toneelgroep Amsterdam Doesburgs enscenering van Arthur Kopits Road to Nirvana, onder de titel Nirvana in premiere. Het zal voorlopig zijn laatste gastregie zijn: met ingang van volgend seizoen maakt Doesburg, naast artistiek leider Ger Thijs, deel uit van de artistieke staf van het Nationale Toneel. Daarmee behoort Doesburg, net als Koos Terpstra bij het RO Theater, tot de weinige 'jongere' regisseurs die een plek veroveren bij een groot ensemble.

Manipulatie

Ons eerste gesprek gaat helemaal over de Fassbinder-affaire. Het was een uitermate grimmige kwestie - en alsof hij dat nog bewijzen moet, zegt Doesburg dat alleen al zijn eigen dossier meer dan drieduizend publikaties telt. Het is dan ook geen wonder dat zelfs de vraag naar het thema van Nirvana naar het onderwerp leidt. Het stuk is niet Doesburgs eigen keuze: hij werd door Toneelgroep Amsterdam gevraagd de uit de artistieke staf getreden regisseur Lidwien Roothaan te vervangen. In het stuk, dat overigens niets van doen heeft met de popgroep Nirvana, wordt ene Jerry met alle mogelijke middelen door zijn vroegere boezemvriend Al onder druk gezet mee te werken aan de produktie van een film over de mega-ster Nirvana. Behalve over de kunstmatige schepping door de media van fenomenen a la Madonna, gaat Nirvana volgens de regisseur in de eerste plaats over 'manipulatie'. Maar het stuk behandelt ook andere thema's die Doesburg belangrijk vindt: “Dubbele moraal, hypocrisie, de onmogelijkheid zuiver te handelen, de beul/slachtoffer-relatie en het doorbreken daarvan.”

“Aan de traditionele beul/slachtoffer-relatie heb ik een broertje dood,” vervolgt hij. “Die maakt bijvoorbeeld de Anne Frank Stichting per definitie goed, zoals alle mensen die zich slachtoffer voelen en beulen bestrijden, per definitie deugen. Maar over de cultuur van leed, en het cultiveren van leed dat tegenwoordig op zo grote schaal plaats heeft, valt veel te zeggen. Het ogenschijnlijk rechtvaardige is soms ook onrechtvaardig, en het schijnbare gelijk soms ongelijk. Onder meer daarover wil ik toneel maken. Met toneel kun je alle facetten van een onderwerp laten zien, je kunt - uitstekende metafoor is dat - de tijd stilzetten. Schrijver A.F.Th. van der Heijden noemt dat 'leven in de breedte'. Het is het almaar verder uitrollen van een vierkante centimeter, het helder op papier overbrengen van een lino-uitsnede met een druppeltje inkt.

“Ik kan je verzekeren dat een loopbaan een aangenamer start kan maken dan de mijne. Daarover klaag ik niet, ik wil er maar mee zeggen dat ik de rel niet heb gezocht. Het fenomeen van door de historie gestigmatiseerde beulen en slachtoffers heeft mij altijd al gefascineerd. Op mijn zeventiende zou en moest ik het boek Der zweite Weltkrieg, Bilder, Daten, Dokumente hebben. Het was een uit Duits perspectief geschreven werk, waarin bijvoorbeeld beweerd werd dat het bombardement op Rotterdam het gevolg was van een technische communicatiefout. Dat is schokkend en misschien wel niet waar, maar dat er vragen gesteld worden over de officiele geschiedschrijving kan in elk geval geen kwaad. Ik houd van het stellen van vragen, want het Grote Gelijk bestaat niet. De enige, echte waarheid is dat er zes miljoen joden vermoord zijn, maar zelfs de simpele, voor de hand liggende vraag waarom de geallieerden de spoorwegen naar de concentratiekampen niet gebombardeerd hebben, is tot op de huidige dag onbeantwoord gebleven.

Stereotype

“Het vuil, de stad en de dood was een goed stuk - dat was mijn enige motief. Als de jood in het stuk aan het aloude stereotype voldoet, dan komt dat doordat de andere personages dat van hem maken. Uit cynisme gedraagt hij zich naar het vooroordeel van zijn omgeving. De jood herinnert hen aan hun eigen onverwerkte verleden, aan hun eigen schuld.

“Als ik had kunnen zeggen dat ik joods was - wat ik niet ben - had de discussie een totaal andere wending genomen, dat weet ik zeker. Maar ook als ik wel joods was geweest, zou ik dat verzwegen hebben, omdat dat helemaal geen argument mag zijn.”

Historicus H.W. von der Dunk schreef enkele jaren geleden in deze krant: 'Het ware talent, op welk gebied ook, is individualistisch en steigert van nature tegen elk conformisme en collectivisme'. In zijn lange, al eerder geciteerde brief aan Heinink nam Doesburg het citaat op als motto. “Ik heb er uiteraard niet mee willen zeggen, dat ik een waar talent ben. Maar het is wel een waar woord. Anders dan de joodse organisaties ten tijde van de affaire betoogden hoeft geen enkele kunstenaar wie dan ook toestemming te vragen voor de behandeling van welk onderwerp dan ook. Ik sprak via de al dan niet geslaagde enscenering van dit stuk - en wat kon ik daaraan toevoegen? Had ik moeten zeggen: heus, ik ben een goed mens? Dat is onzinnig en het doet er bovendien helemaal niet toe. Alleen het stuk en de voorstelling deden er toe, maar die werden verboden.”

Zijn ervaringen met Fassbinders stuk hebben Doesburg naar eigen zeggen alleen maar gesterkt in zijn overtuiging dat “veel emotionele bevlogenheid hol is en vaak puur pragmatisch en opportunistisch.” Een keer is Doesburg in zijn werk teruggekomen op de hele affaire, op gestileerde wijze. Samen met Ton Theo Smit en Matthieu Verstegen schreef hij in 1990 het stuk Watersnood. Hij liet erin twee slachtoffers tegen elkaar opbieden in leed. Het ene personage had zijn beide ouders verloren, het tweede had bij de bouw van de Deltawerken de caissonziekte opgelopen. Hun treffen was volgens Doesburg een 'absurde ruzie', die uiteindelijk werd beslecht met het compromis dat de een vooral 'geestelijk' geleden had en de ander 'fysiek'. Moraal: leed valt niet te meten en men moet ook niet proberen het zich toe te eigenen.

Censuur

Op de tegenwerping dat juist omdat leed onmeetbaar is, zelfs een kunstenaar zich op zijn minst rekenschap moet geven van mogelijke gevoeligheden, zegt Doesburg: “Dat is zelfcensuur. Op basis van mogelijke gevoeligheden maak ik geen artistieke keuzes. Ik wil niet op voorhand wat complex is versimpelen omwille van emoties. In de zwarte doos van het theater moet ik vrij zijn, zoals het het publiek vrij staat te komen of om weg te blijven. Niet de hele wereld hoeft blij te zijn met een theatervoorstelling. Over 06 heb ik ook tegen mijn moeder gezegd: blijf maar lekker thuis, dat is niks voor jou.”

“De cultivering van leed boeit me, omdat er iets veel groters aan ten grondslag ligt: het existentiele verlangen iets, iemand te zijn en vooral ook: te zijn geweest. Het personage Al uit Nirvana wil beroemd worden, hij wil, zoals hij zelf zegt, “sporen achterlaten in het zand van de tijd.” Ambitie is een te beperkt woord om dat verlangen te omschrijven. Het is het overwinnen van de dood en daarmee een drijfveer van al ons handelen.”

Tijdens de repetities van Nirvana blijkt het verlangen zich in de eerste plaats te uiten in bluf. Het eerste, nog onaffe deel van de voorstelling wordt nauwkeurig 'gezet', ieder woord krijgt een eigen kleur door houding, gebaar, mise-en-scene. Het opvallendste is het mannetjesgedrag van Al en, in mindere mate, van Jerry; hun lichamen draaien om elkaar heen, bezwerende, in elkaars richting wijzende vingers onderstrepen een even broeierige als verraderlijke kameraadschap, het geheel oogt als een ballet voor bronstige paradijsvogels. Hetzelfde macho-gedrag werd in extreme mate getoond in Vastgoed BV, zozeer dat de voorstelling handelde over een mentaliteit en het verhaal bijna als een bijkomstigheid werd afgedaan. In Decadence legde het personage Les een soortgelijk patsersyndroom aan de dag.

“Het vertoon van dat soort gedrag in mijn voorstellingen houdt ongetwijfeld verband met de twaalf ambachten en dertien ongelukken uit mijn verleden,” zegt Doesburg. “Ik heb dat goed kunnen observeren, maak me er zelf trouwens ook wel schuldig aan. Het is niet milieu- of statusgebonden, je ziet het ook bij witte boorden, maar het is bijvoorbeeld hier, in de Schilderswijk, een in het oog springend element van de communicatie. Die uitgestoken handen zijn bescherming-bij-voorbaat tegen een mogelijke aanval en tegelijkertijd zijn ze bedreigend. Zo primitief als wat. In broekzakken gestoken handen duiden juist op zelfverzekerdheid en daardoor net zo goed op agressie. Negentig procent van menselijk gedrag is ingegeven door agressie.”

Machtsvertoon

Tijdens de repetities doet Doesburg Hajo Bruins, die Al speelt, een bepaalde draai vol machtsvertoon voor en hij moedigt hem aan: “Kom op, je hebt wel voor heter vuren gestaan.” “Alleen in mijn prive-leven,” zegt Bruins. Later zegt de regisseur: “Hajo heeft dit gedrag in de vingers - wat ook een gevaar inhoudt. Het tonen ervan heeft een ironiserend effect en dat kan fnuikend zijn. Als mijn voorstelling alleen maar een farce wordt, is mijn regie mislukt. De herkenning van gedrag en van patronen in de samenleving - bijvoorbeeld de krampachtige hang naar idoolvorming - moet gevaarlijk worden en gaan beklemmen. Het publiek moet het gevoel krijgen deel uit te maken van hetgeen op toneel gebeurt. Dat betekent dat je voortdurend moet sleutelen aan kleuring en ritme, ook van de ogenschijnlijk voltooide scenes.”

Gerardjan Rijnders

Gevraagd naar een omschrijving van de stijl van zijn voorstelling, aarzelt Doesburg. Hij voelt zich verwant met Gerardjan Rijnders, artistiek leider van het Toneelgroep Amsterdam, wiens werk juist een grote diversiteit aan stijlen vertoont. “Ik ben er nog niet aan toe, maar het maken van een hevig gestileerde Racine trekt me net zo goed als het maken van een slapstick-achtige komedie, zowel voor toneel als voor televisie.”

Ger Thijs, artistiek leider van het Nationale Toneel en toekomstig collega van Doesburg, leek onlangs het verschil tussen 'Amsterdam' en 'Den Haag' te willen aanscherpen. Naar aanleiding van het succes van zijn mammoetproduktie Kleine Zielen verweet hij Toneelgroep Amsterdam zich vrijwillig te laten marginaliseren door van de Stadsschouwburg naar het zogeheten Transformatorhuis op het Westergasfabriekterrein te verhuizen. Doesburg neemt een iets gematigder standpunt in. “Alleen een groot gezelschap kan een produktie als Kleine Zielen behappen. Versplintering en marginalisering van zulke gezelschappen moeten dan ook voorkomen worden. Anderzijds geloof ik dat 'schouwburgsectarisme' net zo verkeerd is. Een groot gezelschap doet er goed aan ook kleinere, experimentelere produkties te maken.” Het is het moment waarop zijn voorgenomen bewerking van Kellendonks Mystiek lichaam ter sprake komt.

“Ik doe het er niet om,” zegt Doesburg: “het gaat mij opnieuw niet om een controverse over mogelijk antisemitisme. Ik vind het een fantastisch boek, met theatrale personages en theatrale tegenstellingen. Met behulp van het mystieke - de eenwording met God door de liefde - ontvlucht Kellendonk de stront van het onderaardse. Zijn ethiek is geesthetiseerd, hij wordt net niet decadent. Dat vind ik geweldig knap. En ja, er zitten dubbelzinnige kanten aan zijn boek. Het is een boos sprookje. Precies dus wat ik graag laat zien.”

    • Pieter Kottman