Brinkman ontloopt de centrale vraag

DEN HAAG, 15 APRIL. Het was een niet voorzien onderdeel van de begin deze week gestarte 'Brinkman Tournee'. Maar de persconferentie gisteravond in het Haagse Nieuwspoort waar over wat volgens zijn dochter was gaan heten 'de zaak Elco B.' was onvermijdelijk. De kwestie ging vorige week spelen na een televisie-uitzending van de KRO. De centrale vraag annex aantijging in het programma luidde: had Brinkman zich niet beter moeten orïenteren toen hij per 1 januari 1992 het commissariaat van de beheersmaatschappij Arscop BV op zich nam? Het bedrijf beheerde het vermogen van zijn oom, Arie V., die zich in het verleden als directeur van het bedrijf Hevatex met zwart-geldpraktijken zou hebben beziggehouden.

In zijn eerste reactie vorige week vrijdag sprak Brinkman over een “schandelijke en ongefundeerde beschadigingsactie jegens zijn persoon en het CDA”, daarna was hij inhoudelijk niet meer op de zaak ingegaan. De boeken zouden zo snel mogelijk worden geöpend, zei Brinkman telkens en ondertussen voerde hij zo goed als dat kon campagne.

Maar gisteravond was het dan zover. Met in zijn kielzog de professoren mr. P.C. van den Hoek (Vrije Universiteit) en mr. D. Juch (Katholieke Universteit Brabant) verscheen Brinkman weliswaar drie kwartier te laat maar met een vastberaden blik in de ogen. Zelfs de nimmer aan Brinkmans' zijde ontbrekende voorlichter Frits Wester moest genoegen nemen met een plaats in de zaal. De leiding van de bijeenkomst was in handen van oud-voorlichter van het ministerie van financiën huidig en CDA-Kamerlid Hans Hillen. Want het ging hier niet om campagne, maar om integriteit.

De verklaring die Brinkman voorlas, droeg de sporen van juristenhanden. Verdeeld over acht punten probeerde hij de beschuldigingen aan flarden te schieten. Voor zijn aantreden had hij zich “naar vermogen vergewist van de toestand van de onderneming”. “Vanzelfsprekend” waren gesprekken gevoerd met de directie en de andere commissaris van de vennootschap. Brinkman had in de jaarrekeningen over de jaren 1989 tot en met 1991 geen “feiten of vermoedens van feiten aangetroffen die duiden op enige onvolledigheid, onjuistheid of onregelmatigheid”. Er was voor hem dan ook geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de goede naam van Arscop BV of Hevatex BV net zo min als aan die van de directie van beide ondernemingen.

Pas uit de KRO-televisie uitzending was Brinkman gebleken dat Hevatex in 1985 een schikking had getroffen met de belastingdienst in verband met zwart geld. En: “het is de directeur zelf geweest die samen met de toenmalige commissarissen op eigen initiatief het bestaan hiervan heeft aangemeld bij de fiscus”. Geen veroordeling, zoals in de televisie-uitzending was gesuggereerd, maar een schikking van 26.941 gulden.

En dan de bron van de beschuldigingen: “De verdenking berust uitsluitend op verklaringen van voormalige personeelsleden van Hevatex. Eén daarvan is anoniem gebleven. De andere twee zijn in 1986 respectievelijk 1988 met onmin bij Hevatex vertrokken”. Alle drie hadden ze volgens Brinkman hun verklaring afgelegd op verzoek van medewerkers van de KRO.

De CDA-leider besloot met de mededeling dat hij samen met de andere commissaris van Arscop na bestudering van de justitiële stukken tot de conclusie was gekomen dat er voor hen “op basis van de thans bestaande feiten en omstandigheden” geen aanleiding was “handelend” op te treden dan wel hun commissariaat neer te leggen. Alles was terug te voeren op een door Brinkman “betreurd incident”.

Brinkmans' tegenoffensief was net op tijd voor het Journaal van acht uur. De kwestie leek de wereld uit. Maar tijdens het vraag- en antwoordspel dat op de verklaring van Brinkman volgde, kwamen toch weer twijfels. Want hoe zat het nu: was er sprake van één verdachte, zoals Brinkman stelde, of vier, zoals de officier van justitie in Arnhem had gezegd? En hoe zat het nu met de betrokkenheid van oom Arie V. die door Brinkman en zijn advocaten ter plekke werd geöntcriminaliseerd? Was hij nu voor 1985 persoonlijk betrokken bij zwart-geldhandelingen? Deze vraag werd drie kwartier lang in alle mogelijke varianten op Brinkman afgevuurd, maar steevast volgde hetzelfde antwoord: V. had als directeur een formele en feitelijke verantwoordelijkheid gedragen voor wat zich in de onderneming had afgespeeld. Maar de vraag of V. zich persoonlijk aan dergelijke praktijken had schuldig gemaakt bleef onbeantwoord. De kwestie is voor Brinkman niet onbelangrijk. In het geval formele verantwoordelijkheid kan hem niets worden verweten. Maar heeft Arie. V. daadwerkelijk zelf aan een zwart geld circuit dan kan Brinkman het verwijt krijgen zich met 'verkeerde' mensen in te laten.

Brinkman begreep de gevoeligheid en kwam er niet uit. Het gevolg was te zien in het Journaal van tien uur: waarin geconcludeerd werd dat de zaak Brinkman nog steeds niet de wereld uit was.