Vitale stervenden en concrete doden op dof drijfzand

Voorstelling: Maanlicht van Harold Pinter door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Titus Muizelaar. Decor/kostuums: Jan Klatter. Spel: Jacques Commandeur, Kitty Courbois, Hans Kesting, Sigrid Koetse, Peter Oosthoek e.a. Gezien: 13/4, Bellevue, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 3/5. Elders t/m 4/6.

Bridget, de dochter van Andy en Bel in Harold Pinters nieuwe avondvullende stuk Maanlicht (1993), is misschien wel concreter dan alle andere personages. We kunnen vermoeden, dat zij dood is, maar ze is meer aanwezig dan haar familieleden, als herinnering, als symbool van een voorbij en geïdealiseerd verleden. Drie keer laat Pinter haar een monoloog afsteken, dichterlijke woorden over de nacht, over de paradijselijke jungle vol bloemen waarin ze nu verkeert en tot slot over maanlicht dat eerst doven moet, wil 'het feest' beginnen. Misschien bezingt Pinter de dood.

Zeker is in elk geval zijn afkeer van het ondermaanse. Daar bevinden zich Bridgets ouders (gespeeld door Jacques Commandeur en Kitty Courbois), haar broers Jake en Fred (Hans Kesting en Fred Goessens) en de huisvrienden Maria en Ralph (Sigrid Koetse en Peter Oosthoek). Ooit stelden de laatsten het huwelijk van Andy en Bel op de proef. De onderlinge romances of mogelijk slechts platonische flirts bewezen misschien wel dat van hun verbintenis sowieso nog weinig over was. Nu zijn ze althans vervuld van haat en wrok jegens elkaar en hun zoons zien ze niet meer, al zijn ze in het decor van Jan Klatter in de enscenering van Titus Muizelaar bij Toneelgroep Amsterdam slechts enkele stappen van elkaar verwijderd. En die stappen worden niet gezet, al ligt Andy op sterven.

Of lijkt dat maar zo, hij is opmerkelijk vitaal voor een bijna-dode. Pinters befaamde 'wit' tussen de regels is er nog steeds, maar hij versterkt het in dit stuk met een ongrijpbare structuur. Zo is er sprake van drie lokaties, van een levende dode en van dode levenden, van een onzeker, illusoir heden en een niet minder vaag verleden. Personages en publiek bevinden zich met dit stuk op drijfzand, in het holst van de nacht.

Concreet en zo aards mogelijk spel lijkt geboden en daartoe heeft regisseur Muizelaar dan ook besloten. De stijl van zijn enscenering is verkapt realisme, waarin de belichting heel traditioneel fungeert als structurerend en isolerend element en de spelers doen alsof ze een lineair verhaal vertellen. Baten doet dat wat mij betreft niet. Pinter schiet zijn doel voorbij. Niet intrigerende geheimenissen zijn het resultaat van zijn mystificaties, maar een zeker obscurantisme. De broeierigheid is van de verkeerde soort. Het stuk ontbeert net teveel aanknopingspunten om de aandacht te vangen. Het publiek krijgt ruzies, haat en oud zeer voorgeschoteld - wat brokstukken slechts van een misschien wel niet bestaand object. Ze wekken nauwelijks nieuwsgierigheid, eerder onverschilligheid.

    • Pieter Kottman