Toeristische sector blijft blind voor de aantasting van het milieu

Het massatoerisme bedreigt het milieu op vele manieren. Miljoenen toeristen verplaatsen zich per auto of vliegtuig, op weg naar het inmiddels verwoeste Alpenlandschap, of de overvolle Middellandse-Zeestranden.

Marcel Ham en Kees Waagmeester bepleiten een krachtig terugdringen van het toeristisch verkeer.

De schadelijke gevolgen van het wereldwijde toerisme voor het milieu zijn groot. Maar ondanks de verwoestende invloed die vakantiegangers hebben op de Alpen en de stranden van Zuid-Europa en de bijbehorende enorme hoeveelheid auto- en vliegtuigkilometers, hebben overheid en milieubeweging deze milieuverslindende activiteit nog niet opgemerkt. De toeristische branche zelf komt niet veel verder dan een sticker in een enkel hotel met het vriendelijk verzoek gebruikte handdoeken weer op te hangen.

Een extreem voorbeeld. In Nieuw Zeeland zijn de eerste ski-liefhebbers uit Oostenrijk al gesignaleerd. Het is ze in eigen land te vol en te onnatuurlijk geworden. Alleen al uit Nederland zijn de Oostenrijkse en Zwitserse bergen de afgelopen tien jaar overspoeld met skiërs: van 300.000 in begin jaren tachtig tot 1,2 miljoen nu. Gevolg is dat de Alpen veranderd zijn in een gebied met veertigduizend skipistes en een infrastructuur waardoor er geen plek meer in het hele berggebied te vinden is waar je verder dan 25 kilometer van een weg af zit. Het aantal lawines is door deze ingrepen fors toegenomen.

Tekenend voor het massatoerisme zijn ook de overvolle stranden aan de Spaanse en Franse Middellandse-Zeekusten. In de zomer verdubbelen de bevolkingen zich in deze gebieden. De tijdelijke kustbewoners zijn verantwoordelijk voor ettelijke bosbranden, het verdwijnen van plante- en diersoorten, forse lozingen van afvalwater in de Middellandse Zee en een beslag op drinkwater dat gemiddeld drie à vijf keer zo hoog ligt als dat van een plaatselijke boer.

Ondanks de desastreuze effecten van Nederlandse toeristen in het buitenland dringt het probleem nog niet door tot de milieubeweging en de overheid. De buitenlandse vakantie van de Nederlander is een heilige koe, zo mogelijk nog heiliger dan de auto. Het beslag dat vakantiegangers op de milieuvoorraden leggen, rechtvaardigt het absolute stilzwijgen rondom deze economische sector niet. Ongeveer zeventig procent van de toeristen reist per auto, met alle gevolgen voor het broeikaseffect en de voorraad brandstoffen. Van het internationale personenverkeer door de lucht heeft de helft een recreatief doel. De druk op het mondiale milieu neemt bovendien toe doordat de meeste toeristen veel verspillender leven en veel meer afval veroorzaken dan thuis.

De toeristische organisaties en bedrijfsleven lopen niet bepaald voorop bij het nadenken over alternatieven voor het huidige toeristische verkeer. Op het gebied van duurzaamheid is de toeristenbranche een van de meest achtergebleven sectoren. De gevestigde belangen lijken te groot te zijn - wereldwijd gaat er ten minste vierduizend miljard gulden in de sector om. De enorme groei die reisorganisaties nog altijd doormaken lijkt het korte-termijn-denken te stimuleren. Zelfs verdergaande initiatieven als een Milieu Effect Rapportage voor de Efteling en de oprichting van een milieuafdeling van Eurodisney blijven lapmiddelen als niet structureel wordt nagedacht over de manier waarop we op vakantie gaan. Op de lange termijn heeft zowel de toeristische branche als de vakantieganger daar belang bij.

De ANWB beperkt zich tot het omleggen van autoroutes die te veel overlast veroorzaken. Betere initiatieven komen van Duitslands grootste toeroperator Touristik Union International, dat een aantal bestemmingen uit het programma schrapte omdat de natuur daar te ernstig bedreigd werd. Al blijft de vraag natuurlijk of die ski-liefhebbers niet ergens anders naar toe gaan. Of in plaats daarvan misschien naar Brazilië vliegen om daar in het ongerepte regenwoud rond te banjeren.

Dat vliegvakanties naar het zuiden bijdragen aan het nationaal inkomen van ontwikkelingslanden mag geen excuus zijn om de ogen te sluiten voor het milieuvernietigende karakter van de huidige, mobiele ontwikkeling. Op de lange termijn is een niet-duurzame ontwikkeling van de toerisme-sector ook niet in het belang van ontwikkelingslanden, die immers op dezelfde voorraad grondstoffen en milieu zijn aangewezen als de westerse landen. Overigens hoeft dat niet te betekenen dat we niet meer de grens over kunnen om andere culturen te leren kennen. Een boottocht naar Bali is in principe niet minder duurzaam dan een fietstocht door Drenthe.

Duurzamere vormen van toerisme kenmerken zich door weinig energie- en grondstoffenverbruik door minder reiskilometers en weinig milieubelasting ter plekke. Zolang in het toeristische bedrijfsleven zelf het denken erover beperkt blijft tot het aanmoedigen van goed gedrag en achteraf-maatregelen, is het de taak van milieu- en consumentenbeweging en overheid de huidige ontwikkeling van deze economische sector ter discussie te stellen. En dan met name het mobiele karakter van die ontwikkeling.

Het terugdringen van het toeristische verkeer - via autoweg en luchthaven - is een extra reden om maatregelen te nemen die energie duurder maken. Een extra argument voor een energieheffing dus. Ook op andere manieren zal de recreatieve mobiliteit teruggedrongen moeten worden. Bijvoorbeeld door vliegtickets meer te belasten. We zullen moeten wennen aan het idee dat het 'vliegtuig best een dagje zonder ons kan'. En als de overheid het autoverkeer werkelijk wil terugdringen, zal zij ook ons vakantiegedrag moeten aanpakken.

Ook kunnen alternatieve worden gestimuleerd die misschien niet het avontuur van een ontdekkingsreis over Antarctica brengen, maar wel de voldoening geven een bijdrage te leveren aan een duurzame samenleving. Dat hoeft niet te betekenen dat we massaal aan de eigen achtertuin gekluisterd zullen zijn. Vakantieparken met luxe appartementen en gemeenschappelijke voorzieningen zijn zo gek nog niet. Ook het reisje langs de Rijn of het cruiseschip zijn milieuvriendelijke alternatieven.

In ieder geval moet vakantie in eigen land veel aantrekkelijker gemaakt worden. Dat kan door natuurontwikkeling en de verscheidenheid in het Nederlandse landschap te bevorderen. Schoon water en schone lucht zijn voorwaarden voor de ontwikkeling van toerisme in eigen land. Bij het aantrekkelijk maken van het Nederlandse landschap kan de landbouw een rol van betekenis spelen. Behalve de toerist hebben ook het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid daar belang bij.