Stojka schilderde kampherinneringen

Tentoonstelling: Ein Kind in Birkenau, schilderijen van Karl Stojka. Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Hooghalen, t/m 30/5.

Het is alsof Karl Stojka, toen hij enkele jaren geleden zijn schilderijen maakte, door de duivel op de hielen werd gezeten. Dat is opmerkelijk, want de beelden die hij wilde vastleggen, dateren van een halve eeuw geleden - toen hij als zigeunerjongetje van een jaar of twaalf achter het prikkeldraad zat in kampen als Auschwitz-Birkenau, Buchenwald en Flossenburg. En toch ziet zijn werk eruit alsof hij haast had, alsof het schilderen geen minuut langer kon wachten. De letters op zijn doeken druipen nog, de contouren zijn met vinnige vaart en met zichtbare agressie neergezet, de woede spat eraf.

Karl Stojka werd bevrijd tijdens de dodenmars naar Dachau en is nu 63. Na de oorlog opende hij in Wenen een winkel in oosterse tapijten. De kleurenpracht van die kleden bracht hem ertoe te gaan schilderen, heeft hij gezegd. Vijf jaar geleden begon hij aan de schilderijencyclus die nu, onder auspiciën van de Oostenrijkse regering, op tournee is onder de titel Ein Kind in Birkenau. Eerst hing het werk in het Holocaust Memorial Museum in Washington, nu is het te zien in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en komende zomer gaat het naar Japan. In totaal heeft Stojka enkele tientallen schilderijen gemaakt; hier, in een stemmig belichte ruimte naast de permanente kamp-expositie, hangen er achttien. Bijna allemaal felle doeken, geschilderd in een naïef soort Nieuwe Wilden-stijl die soms pijn doet aan de ogen.

De meeste hebben bijschriften en aan de signatuur is zijn kampnummer Z 5742 toegevoegd. Zoals op de voorstelling van Stojka's vader, dood en ondersteboven hangend in het prikkeldraad van Mauthausen. Het is een welhaast uiteengereten gestalte, vlekkerig en zonder omhaal uitgebeeld, met de schrijnende tekst Es war mein Vater. En onder een schilderij van twee hologige jongetjes, met veel te grote petten op hun smoezelige hoofdjes, staat: Was haben wir getan.

Elders is het realisme vermengd met zwaar aangezette symboliek - het meest in een schilderij dat Stojka's redding illustreert. Boven het silhouet van een crematorium spat Jezus aan het kruis, in een explosie van geel en lichtgroen. Zijn kleine broertje, dat het niet heeft overleefd, is een grijs, Munch-achtig kadavertje geworden dat bekneld raakt in een hakenkruis.

Karl Stojka is geen groot kunstenaar. Maar hij moest en zou vertellen wat hij heeft gezien en er is geen ontkomen aan het prikkeldraad dat hij op die doeken kerfde, of aan de vuurrode vegen die hij uit de pijp van het crematorium laat komen. Het laatste schilderij van de Westerbork-tentoonstelling bestaat voornamelijk uit tekst. Op een zwarte ondergrond prijkt zijn kampnummer in het midden; daarboven staat Mein Kampf en daaronder: Ich habe überlebt. Ieder gevoel van triomf is vreemd aan dit doek; ik kan er niets anders in zien dan een uiting van grimmige wraak op degenen die zich, met het gelijknamige handboek van Hitler op zak, tot moordenaars lieten maken.