Peinzen als pose

Steve Pyke, Philosophers, Cornerhouse Publications, 1993, ISBN 0 948797 76 2.

Auguste Rodin was geobsedeerd door de verbeelding van het denken. Hij beschouwde het als hoogste menselijke activiteit en de denker als laatste hoop van de mensheid. Toen de beeldhouwer in 1880 Le Penseur in brons goot, voltooide hij voor zijn gevoel het ultieme denken. De eenzame intellectueel die alle leed van de wereld op zijn schouders draagt, maar nooit een oplossing aan kan reiken. Het peinzen als pose.

Rodins weergave van de atletische wijsgeer is een uitzondering en dan ook nog een anonieme. Bij filosofen denk je niet zo gauw aan een gezicht, eerder aan een naam of een titel. Van taalfilosoof Ludwig Wittgenstein is een serie foto's bewaard gebleven, net als van Bertrand Russell. De ijdele Franse existentialisten Sartre, Camus en De Beauvoir hebben zich ook meer dan eens laten vereeuwigen. Ze mengden zich bewust in het openbare leven. Maar de meeste filosofen krijg je niet dikwijls te zien.

De Britse Steve Pyke besloot vijf jaar geleden de filosofie te 'demystificeren'. Voor de praktisch ongeschoolde glamourfotograaf bezat de wijsbegeerte een magische kracht. Het was een wereld, slechts voor enkele uitverkoren geesten bereikbaar en voor de rest verboden terrein. Hij wilde de gedachte op heterdaad betrappen, de universele waarheid boven tafel halen. Wat maakt iemand meer dan een toevallige passant in een no-iron shirt en een slecht zittend pak?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, fotografeerde Pyke de tachtig grootste geesten ter wereld en bracht ze samen in zijn album Philosophers. Een zowel pretentieuze als ondankbare onderneming. Pretentieus, omdat Pyke geen enkele van zijn objecten kende en dus volledig moest varen op de suggesties van anderen - met als gevolg dat meer dan vijftig geportretteerden afkomstig zijn van de Britse colleges.

En ondankbaar, omdat het boek bij het uitkomen in december vorig jaar, door alle gepasseerde grote geesten - en vergist u zich niet, dat zijn er nogal wat - direct als oppervlakkig werd verketterd. Had Kant immers niet eens gezegd dat de wijze waarop iets aan ons verschijnt nog niets zegt over de wezenlijke kennis die we van dat ding bezitten? Gedachten zonder inhoud zijn leeg, aanschouwingen zonder begrip blind. Zonder uitleg kan Iris Murdoch ook voor Ma Flodder doorgaan en Christopher Peacocke voor een gemiddelde automatiseringsklerk.

Waaraan herken je een wijsgeer eigenlijk? Zelf beantwoordt Pyke deze vraag nogal vaag in de inleiding van zijn bundel: “Omdat deze mensen zich op hun gedachten concentreren als levensvervulling, kun je interessante vragen stellen over de uiterlijke eisen die de toeschouwer stelt aan een filosoof. Als mijn manier van kijken je aan het denken zet, dan kan dat alleen maar leiden tot een beter begrip in het algemeen. Fotografie en filosofie zijn verschillende perspectieven om de wereld waar te nemen.”

Pyke's perspectief is ontluisterend. Bij het doorbladeren van Philosophers overvalt je een stomme verbazing. Of het te maken heeft met het nietsontziende daglicht of met het hoge gehalte bejaarden in deze galerij, de close-up portretten zijn, op een enkeling na, bikkelhard.

De huid van de in 1989 gestorven logisch positivist Sir Alfred Ayer doet denken aan een uitgedroogde rivierbedding. Zijn collega Carl Gustave Hempel lijkt met zijn ene goede oog op een cycloop. De hazelip van Jürgen Habermas is te scherp belicht, evenals de wratten van de vader van het radicale skepticisme, Karl Popper. Iris Murdoch vertoont een lichte baardgroei en die arme Donald Davidson oogt als een rooddooraderde albino.

Je kunt niet zeggen dat de afgebeelde denkers typische studeerkamergeleerden zijn, al zien ze er overwegend verstrooid en wereldvreemd uit volgens de visie van Steve Pyke. De dagelijkse lichaamsverzorging lijkt er in deze kringen nogal eens bijin te schieten. Filosofen scheren zich slecht, dragen gedateerde brilmonturen, zitten onder de meeëters of ouderdomsvlekken en er groeit haar op plaatsen waar dat niet hoort.

Gelukkig maken hun persoonlijke filosofische boodschappen iets goed van al die gekwetste ijdelheid. De stellingen bij de foto's zijn geestig en ontwapenend. Zoals die van Hans Georg Gadamer: “Filosofie is de enige manier om niet te vergeten dat je God niet bent.” Of de luchtige constatering van Jean Baudrillard: “Het is geen kwestie van ideeën - er zijn al teveel ideeën!” Verreweg de meeste zelfrelativering van de tachtig bezit Phillipa Foot. Met opengesperde ogen stamelt ze in Pyke's camera: “Je stelt een filosoof een vraag en nadat hij of zij een tijdje heeft gepraat, begrijp je je eigen vraag niet meer.”

    • Jutta Chorus