Nieuwe concurrenten

De Nederlandse industrie staat voor een krachtproef. Nieuwe concurrenten op de wereldmarkt bedreigen de Nederlandse concurrentiepositie. Daarbij gaat het vooral om een aantal Aziatische landen (Thailand, Vietnam, Indonesië, Filipijnen, Maleisië, China en India) en Oost-Europa.

Op het eerste gezicht lijkt die bedreiging niet al te groot. Nederland is zowel met zijn invoer als zijn uitvoer sterk gericht op Noord-West Europa (Duitsland, Denemarken, België, Frankrijk, Zwitserland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk). In 1992 kwam 60 procent van onze goedereninvoer uit die landen, terwijl wij er bijna 70 procent van onze export verkochten. Daarmee vergeleken zijn de aandelen van Azië (10 procent van de Nederlandse import en 4 procent van de export) en Oost-Europa (2 procent van zowel import als export) nogal bescheiden. Maar de Nederlandse industrie komt zijn concurrenten niet alleen tegen op zijn thuismarkt. Belangrijker is de concurrentie op onze exportmarkten.

Het Centraal Economisch Plan 1994 dat onlangs werd gepubliceerd door het Centraal Planbureau (CPB) is onder meer gewijd aan de ontwikkeling van de Nederlandse concurrentiepositie. Om daarvan een beeld te krijgen, neemt het CPB de voor ons belangrijkste afzetmarkt, Duitsland, als maatstaf. Daarbij deelt het Planbureau de verhandelde goederen in drie groepen in: high-tech, medium-tech en low-tech. High-tech-produkten zijn kennis-intensieve goederen, waarvoor relatief veel ontwikkelingskosten moeten worden gemaakt. Het zijn goederen die in verhouding tot hun gewicht een grote waarde per eenheid produkt hebben. Transportkosten spelen bij dergelijke goederen daarom een ondergeschikte rol. In veel gevallen wordt de produktie of assemblage uitbesteed aan lage-lonen-landen. Voor het maken van low-tech produkten hoeft weinig te worden geinvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. De produktie ervan vereist veel grondstof en ongeschoolde arbeid. Door de relatief hoge transportkosten is export over zeer grote afstanden vaak niet profijtelijk.

Wat de high-tech sector betreft wordt de Nederlandse concurrentiepositie op de Duitse markt aangetast door de Aziatische landen en Oost-Europa. De zogenoemde 'Tijgers' (Singapore, Taiwan, Hong-Kong en Zuid-korea) en landen als Thailand, Indonesië en Maleisië kunnen een vergelijkbaar pakket produkten leveren tegen dezelfde prijzen. Oost-Europa en China zijn zelfs zo'n 13 procent goedkoper. Bij de medium-tech produkten hebben we iets minder last van Azië, maar des te meer van Oost-Europa. De Oosteuropese landen bieden het Nederlandse medium-tech pakket ruim 20 procent goedkoper aan. Bij de low-tech goederen hebben we van de Aziatische landen weinig te duchten. De relatief hoge transportkosten vormen een nadeel voor hen. Dat nadeel hebben de Oosteuropese landen niet, zij zijn 8,5 procent goedkoper dan Nederland.

Vooral de Oosteuropese concurrentie kan ons aardig dwars gaan zitten op 'onze' afzetmarkten. De oorzaak zit in de samenstelling van het Nederlandse exportpakket. De Nederlandse industrie is overwegend gespecialiseerd in low-tech produkten: landbouw, voedingsmiddelen, olieraffinage en basischemie. Datzelfde geldt voor de Oosteuropese landen. Maar zij leveren wel tegen aanzienlijk lagere prijzen.

Uit de tabel blijkt dat de aandelen van de Aziatische nieuwkomers ('Rest Azië'), China en de Oosteuropese landen op de Duitse markt vrij klein zijn. In totaal nemen zij maar 9 procent van de Duitse invoer voor hun rekening. Maar de tabel laat ook zien dat hun aandeel in de periode 1988-1992 flink is gegroeid. En verwacht wordt dat die ontwikkeling doorzet. Landen als Thailand, Vietnam, Indonesië en China maken een snelle economische ontwikkeling door. Door investeringen in nieuwe technologie en toenemende scholing van de beroepsbevolking stijgt de arbeidsproduktiviteit, terwijl de arbeidskosten er (nog) extreem laag zijn. Zo bedragen de arbeidskosten per uur in China en Thailand nog geen twee gulden (in Duitsland en Nederland ruim veertig gulden). Ook de concurrentie uit Oost-Europa zal waarschijnlijk groter worden. Zeker als de modernisering van het produktieapparaat op gang komt. Oost-Europa beschikt over een vrij goed geschoolde beroepsbevolking en de arbeidskosten zijn er laag. Een Poolse werknemer kost bijvoorbeeld iets meer dan vier gulden per uur.

Hoe moeten we ons wapenen tegen de toenemende concurrentie? Het Planbureau geeft een aantal aanbevelingen. In de eerste plaats zullen we ons meer moeten richten op de produktie van medium- en high-tech produkten. Niet alleen omdat we juist bij de low-tech produkten de grootste concurrentie mogen verwachten, maar ook omdat de wereldvraag naar medium- en high tech produkten sneller groeit dan die naar low-tech. Bovendien ligt de kracht van de Nederlandse economie juist in onze hooggeschoolde beroepsbevolking. Een nadeel van die omschakeling is overigens wel dat de werkgelegenheid voor laaggeschoolden terugloopt. Daar staat tegenover dat er banen voor beter geschoolden worden geschapen. Maar als we vasthouden aan onze low-tech specialisatie verdwijnen die arbeidsplaatsen ook. Verder moet Nederland zijn positie op de Europese markt vast zien te houden en waar mogelijk verstevigen. Als de produktiegroei in de Oosteuropese landen op gang komt, zullen die landen meer gaan importeren. Datzelfde geldt voor de Aziatische groeimarkten. Ook daar moet de Nederlandse industrie zijn kansen benutten.

    • Jan Pleus