Negentiende-eeuwse speelautomaten in Luik; Tingeltangel-magie voor volwassenen

Een sleutel wordt aangedraaid, een pin uitgetrokken en op de klanken van onbekommerd ouderwetse dansmuziek komt een zielloze wereld tot leven. Sardonisch lachende clowns met rollende ogen, minzieke muzikanten en chocolade drinkende beren zijn op een speelautomaten-tentoonstelling in Luik te zien. Griezelig echt en lachwekkend tegelijk.

Tentoonstelling Les Automates/De Automaten. T/m 28 mei. Ontmoetingsruimte van het Nationaal Instituut voor de Krediet aan de Nijverheid, Rue Bonne Fortune 13 (achter de kathedraal), Luik. Dag 10-18u, vr tot 21u. Catalogus Bfs 3000,-. Inlichtingen over Nederlandstalige en Franse rondleidingen 00-3241440635.

Een croissant aan de Maas, zwart als het binnenste van een schoorsteenpijp. Zo bezong Jacques Brel Luik. In Brels lied over de Waalse fabrieksstad zorgde de sneeuw tenminste nog voor wat wit. Maar nu is het lente en regent het. En dus grauwen het asfalt en de kasseien van de stad je nog gemelijker tegemoet dan anders. Tussen opgebroken stukken stoep en brullende bulldozers glibber ik het smalle straatje achter de kathedraal in, onder het poortje van het Nationaal Instituut voor de Krediet aan de Nijverheid door. Een binnenplaats met rode lopers, zestiende-eeuwse madrigalen en barok terracotta.

Bij een tentoonstelling over speelautomaten verwacht je een schreeuweriger, een meer burleske entree, en niet van die sacrale luxe. De overdaad maakt één ding meteen duidelijk: de expositie is een privé-initiatief. De gemeente Luik, die in het begin van de jaren negentig op een haar na failliet ging en in 1992 samen met onder andere Charleroi door de EG tot probleemgebied van België werd bestempeld, heeft geen geld voor dure culturele evenementen. Het Musée de l'Art Moderne, iets zuidelijker aan de overkant van de Maas, staat er al jaren zieltogend bij. Wie toevallig aan de toegangsdeur klopt op die paar uren van de dag dat het museum geopend is, treft binnen tussen de scharminkelige opstelling een paar grote meesters: Picasso, Marc, Rops en Ensor, als ze niet zijn uitgeleend.

Ruim zestig uiterst kostbare en kwetsbare automaten heeft tentoonstellingsorganisator Patrick Leveaux weten los te weken uit de particuliere verzameling van de Franse antiquair Christian Bailly. Voor een paar maanden zijn ze nu naar Luik overgebracht. Een toegangskaartje voor de collectie van Bailly, die al sinds eind jaren zestig automaten verzamelt, komt op ruim twaalf gulden. Daarvoor krijg je een uur vol wonderbaarlijke tingel-tangel magie voorgeschoteld.

Schilderijen vol kwispelende honden, zagende houthakkers, blauw glinsterende watervallen, luchtbalonnen, schepen en molens; acrobaten aan de rekstok, clowns, pasja's aan de waterpijp, minzieke muzikanten, vogels, varkens en duivels: op de bovenste verdiepingen van het kredietkantoor beweegt alles op muziek - dat is althans de bedoeling. Soms vertikken de automaten het om te bewegen. Doodgewoon vindt de gids Lizzie Roosen dat. Ze draait en trekt aan het mechaniek van een koorddanser, maar er gebeurt niets. Waarom zouden automaten geen kuren mogen hebben?

De negentiende eeuw was een gouden eeuw voor de automaten-industrie. Vooral in Parijs, in de Marais, bloeiden de bedrijven. Onder het kopje "Bimbeloterie' (luxe-goederen) noteerde de Almanach du Commerce in 1820 nog veertig speelgoedmakers in Parijs; twintig jaar later waren het er al honderdveertien. Théroude, Bontems, Vichy, Roullet & Decamps, Phalibois en Lambert werden over de hele wereld beroemd. Hun automaten werden uitgevoerd naar het Midden-Oosten, India, Zuid- en Noord-Amerika en - "in naam van de Britse vrouwelijkheid' in gekuiste versie - naar Groot-Brittannië. Veel van deze oude automaten, prachtig gerestaureerd, zijn nu in Luik te zien.

Mechanische nachtegalen, lijsters en spechten fladderen rond in hun gouden kooitjes bezet met edelstenen. Zij verdreven met hun getsjirp de verveling in de paleizen van maharadja's en pasja's. Een kok die op de maat van een marsmuziekje in de saus roert en tot zijn grote schrik een miauwende kat in de pan vindt, vrolijkte vroeger de salons van de hoge burgerij op. En de in rood fluweel geklede en bijna een meter grote Mefistofeles van Lambert bracht met zijn spel op de banjo, de subtiele bewegingen van zijn hoofd en het geknipper van zijn oogleden saaie theekransjes aan het rillen.

Op de Wereldtentoonstellingen in Parijs, Londen en Chicago werden de makers van automaten, van "scènes mécaniques', "fantaisies à musiques' en "tableaux musiques' vergeleken met tovenaars en duivelse uitvinders. In een tijd waarin er nog nauwelijks treinen door het land reden, stoomboten rariteiten waren en mensen uitliepen om een auto te zien passeren, waren de perfect uit de werkelijkheid nagebootste, levenloze automaten een sensatie.

Op de Wereldtentoonstelling van 1878 in Parijs oogstte Jean-Marie Phalibois grote bewondering met zijn "scènes mécaniques'. Dit waren complete verhalen over liefde en verlangen, met humoristische details en een dramatische ontknoping. Een bezoeker omschreef Phalibois' "Conversatie op het dak': “Een dakscène rond middernacht. Katten lopen over de dakpannen, schoorsteenpijpen draaien rond. Een armoedig geklede student steekt een serenade af onderaan het raam van een jongedame. Aan de andere kant van het huis klimt een Madrileense muzikant langs een touw omhoog naar de jonge vrouw. Hij heeft een gitaar om zijn nek hangen. Het gemiauw van de katten, het gezucht van de wind en de stemmen van de jonge geliefden hebben een oude man gewekt die z'n hoofd uit het raam steekt en afkeurende blikken naar links en rechts werpt.”

Phalibois zette zijn automaten in scène als voor een klucht in de music-hall of het variété. De automaten die Gustave Vichy op dezelfde Wereldtentoonstelling liet zien, waren op zichzelf staande individuen. Zo levensecht dat een omstander schreef: “Als we nog in de Middeleeuwen zouden leven, zou Vichy op z'n minst geëxcommuniceerd worden.” Vichy's Pierrot die schrijft bij het licht van een olielamp, deze lager draait, in slaap valt, weer wakker wordt, de lamp hoger draait en weer verder schrijft; zijn musicerende dames en rokende Buffalo Bill hebben zo'n ingenieus uurwerk in hun binnenste, hun bewegingen zijn zo schaamteloos en hun mimiek is zo levensecht dat ze “de androïde bewaker die de dertiende-eeuwse theoloog Albertus Magnus voor zijn cel had ontworpen ver overtreffen”. Albertus' robot opende de deur voor bezoekers en begroette gasten. Zijn leerling Thomas van Aquino zag er later een uitvinding van de duivel in en vernietigde de arme cipier.

De natuur, het leven herscheppen - met name dat van de mens: het is een prometheïsch verlangen dat ten grondslag ligt aan de vele jaren van studie waarin automatenbouwers uurwerken en muziekmechanismen perfectioneerden, aan de vele uren van toewijding waarmee ze gelaatstrekken, handen en voeten in porselein vormden, lippen schilderden, beestenvellen prepareerden en kostuums maakten. Blaise Bontems was gespecialiseerd in zangvogels, maar het is bekend dat hij ervan droomde een automaat te maken die net als de mens kon praten. “Een fluitende vogel is leuk, maar een pratende man is beter”, vond Bontems.

Zijn achttiende-eeuwse voorgangers, zoals de mechanistische anatoom Vaucanson, de Zwitsers Jacquet-Droz en Maillardet, en de Oostenrijker Friedrich von Knaus waren allen vermaard om hun automaten waarin de natuur exact werd gekopieerd. Von Knaus was de peetvader van een aantal androïde schrijfautomaten, waarmee hij in de "siècle des lumières' furore aan de Europese vorstenhoven maakte. Zijn meest succesvolle schrijver kon met een ganzeveer honderdenzeven woorden schrijven.

Vaucanson beperkte zich niet alleen tot een imitatie van het uiterlijk, maar hij probeerde ook het inwendige na te maken: de spijsvertering van een eend of de ademhaling van een fluitspeler. Nooit is hij erin geslaagd een mechanische figuur te ontwerpen waarin de bloedsomloop zichtbaar werd, zijn liefste wens. Zijn drie bekendste automaten, de "Fluitspeler', de "Tamboerijn- en Driegatsfluiter' en de "Spartelende Eend', die hij tussen 1733 en 1738 maakte, wekten de belangstelling van encyclopedisten als Diderot en d'Alembert en werden bejubeld door een scepticus als Voltaire. Van Vaucansons automaten ontbreekt tegenwoordig elk spoor.

Automaten waren een volwassen aangelegenheid, omdat ze verschrikkelijk duur waren. Nooit zijn ze bestemd geweest als speelgoed voor kinderen, benadrukt de Luikse gids. Een mekkerend geitje met jong kwam in 1878 op duizend Franse francs, een balkende ezel op drieduizend francs. En dat waren nog maar eenvoudige automaten, zonder te veel frutsels en fratsen. Ter vergelijking: het jaarsalaris van een arbeider lag toen op ongeveer vijftienhonderd francs. Vorige maand nog ging op een veiling in Parijs "Bob en zijn wijze kikker', een muziekautomaat van Vichy uit het begin van deze eeuw, voor 810.000 Franse francs weg.

Automaten waren toonbeelden van technisch vernuft waarover de toeschouwer zich kon verbazen, een triomf van de rede over de redeloosheid. Maar om ze alleen af te doen als wonderen van techniek en daar de verklaring van hun populariteit in te zoeken, is niet terecht. Automaten zijn omhangen door een waas van mystiek. Speeltjes voor volwassenen, in de meest paradoxale zin van het woord. Serieus maar tegelijkertijd heel lichtvoetig. Ze zijn het resultaat van wetenschappelijke vooruitgang en wekken je technische belangstelling - hoe werkt hun mechaniek? Hoe bewegen ogen, wenkbrauwen, oren en lippen van een goochelaar, een acrobaat, een koorddanser? Maar tegelijkertijd laten ze je alles wat naar rede zweemt vergeten.

De sleutel wordt aangedraaid, de pin uitgetrokken en op de klanken van onbekommerd ouderwetse dansmuziek komt een zielloze wereld tot leven. Aanvankelijk star, maar al snel steeds soepeler. Het is intrigerend en een beetje huiveringwekkend, zoals je vroeger in het donker kon griezelen om de schaduwen van stoelen en tafels, en je voorstelde dat borden en bestek, dieren en planten met elkaar praatten.

De mooiste automaat in dit genre, te zien in Luik, is een in zwart en rood gestoken, demonisch lachende clown met vijf maskers: vier in zijn linkerhand, een in zijn rechterhand. De pin gaat uit z'n sokkel en de muziek begint te spelen. Heen en weer gaat het rechtermasker, naar het gezicht van de clown toe en terug. Zijn rechterbeen gaat omhoog en onder de zool van z'n flapschoen blijkt een boos gezicht te zitten dat zijn tong uitsteekt. De vier linkermaskers leiden ondertussen hun eigen leven, met ogen die rollen en wenkbrauwen die op en neer wapperen. Het doet denken aan Bergmans "Fanny en Alexander' - de scène waarin Alexander in het huis van een poppenmaker verdwaalt. Zodra de muziek verstomt, richt de clown zich weer kaarsrecht op en nemen de maskers hun oude posities weer in.

Automatenbouwers waren zich bewust van deze waas van mystiek en geheimzinnigheid die om hun apparaten hing. Sommigen, zoals Roullet & Decamps en Lambert, speelden hierop in door zo veel mogelijk verrassingseffecten in hun automaten in te bouwen. Appels op dienbladen die open konden en waaruit dansende aapjes en paardjes tevoorschijn hupsten, kikkers die uit taarten kropen, clowns, poezen en baby's die uit wekpotten klommen, beren die warme chocolademelk dronken. Onverwacht, carnavalesk en belachelijk.

In zijn essay Le Rire analyseerde de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) wat er aan de menselijke lach ten grondslag ligt. “Waarom moeten we lachen om een hond die half geschoren is, een bloemperk met kunstmatig gekleurde bloemen, of een bos waarvan de bomen zijn beplakt met verkiezingsaffiches?” vroeg Bergson zich af. Welke overeenkomsten zijn er tussen "de grimas van een grapjas, een woordspeling, een misverstand in een klucht en een scene uit een verfijnde komedie?' Bergsons kwam tot de conclusie dat het “de mechanisch vervalste natuur is waar we om moeten lachen. Houdingen, gebaren en bewegingen van het menselijk lichaam zijn lachwekkend precies in die mate waarin dit lichaam ons doet denken aan een eenvoudige mechaniek”.

Bergson noemde de automatische mens - de mens die een marionet van zijn eigen lichaam is, die struikelt op straat of zich verspreekt tijdens een redevoering - een komisch motief pur sang. Niemand wil zich als een automaat gedragen, maar iedereen vindt hem grappig om naar te kijken.

    • Lucette ter Borg