Kok vloog bij ABP net niet uit de bocht

DEN HAAG, 14 APRIL. Even leek het gistermorgen een lelijk zaakje voor minister Kok van financiën. Het Limburgse VVD-Kamerlid Van Rey kwam met een brief uit 1990 van oud-ABP-voorzitter J. Reijnen op de proppen, welke suggereerde dat Kok de Tweede Kamer in 1992 onjuist had ingelicht over een eventuele overname door het ambtenarenpensioenfonds ABP van het Rotterdamse vastgoedfonds Rodamco. Aan het einde van de dag had Kok een aannemelijke repliek geconcipieerd - maar de PvdA-leider kon dat slechts doen omdat Van Rey destijds genoegen nam met een tekst die geen antwoord op zijn Kamervragen bevatte.

Het gaat om een gecompliceerde zaak. In december 1991 stelde Van Rey schriftelijke vragen naar aanleiding van een artikel in NRC Handelsblad, waarin werd gemeld dat het ABP volgens een viertal anonieme bestuursleden van het pensioenfonds eind 1990 instemming van het ministerie van financiën had gekregen om Rodamco over te nemen, mits het een vriendelijke overname betrof.

Dat was om diverse redenen interessant. Rodamco, onderdeel van de Robeco Groep, had in september 1990 een groot deel van zijn prestige verloren omdat het zijn aandeelhouders niet langer kon garanderen dat ze hun stukken onder alle omstandigheden tegen intrinsieke waarde aan het fonds terug konden verkopen. Vanuit het perspectief van Rodamco was het een voor de hand liggende manoeuvre. In de twee voorafgaande maanden had het fonds onder druk van de mankerende onroerend goedmarkt voor 800 miljoen aandelen 'retour' gekregen; de kas van het fonds dreigde leeg te raken. Het intrekken van de garantie leidde tot een koersval op de beurs; een klein drama voor tal van aandeelhouders.

Het ABP worstelde tezelfdertijd met een ander probleem. Het pensioenfonds van de ambtenaren - een der grootste ter wereld - had de ambitie meer te gaan beleggen in onroerend goed. En aangezien bij het ABP alles in het groot gaat, had het fonds er een forse zak geld voor klaar liggen: zo'n 13 miljard gulden. Het belegd vermogen van Rodamco vertegenwoordigde op dat moment circa 6,8 miljard. Wat was er logischer dan te beginnen met een overname van Rodamco?

De rest van het verhaal zal altijd met raadsels omhuld blijven. Vast staan twee dingen: binnen het ABP waren er functionarissen die serieus met de gedachte speelden Rodamco over te nemen, en binnen hetzelfde pensioenfonds ontstond daarover de nodige animositeit - in rond Hollands: ruzie in de tent.

Dat laatste had vooral te maken met de taakuitoefening door de toenmalige voorzitter van het ABP, J. Reijnen, oud-burgemeester van Heerlen. Reijnen wilde nog wel eens in zaken gaan zonder zijn naaste collega's in bestuur en hoofddirectie te informeren. Dat was ook het geval toen hij eind 1990 in gesprek met Financiën ging om de voorwaarden van een eventuele overname van Rodamco door het ABP te bespreken. Op dat moment was het pensioenfonds op grond van de ABP-wet met handen en voeten gebonden aan het ministerie: stemde Financiën niet in met een overname, dan kon Reijnen het vergeten.

Financiën stond niet onwelwillend tegen een overname. Er waren echter condities. Letterlijk schreef Kok op 7 januari 1991 aan Reijnen: “(...) ik ben er steeds vanuit gegaan dat het onder alle omstandigheden zou gaan om een vriendelijke overname”, te bewerkstelligen door “het openen van oriënterende besprekingen met dr. Korteweg”. Toen deze krant daarvan op 17 december 1991 melding maakte - op welk moment duidelijk was dat het niet tot een overname was gekomen - riep dat dan ook vragen op. Om precies te zijn: Kamervragen. Afkomstig van J. van Rey, VVD-Kamerlid te Roermond.

Letterlijk vroeg Van Rey op 21 december: “Op basis van welke argumenten bent u akkoord gegaan met het voornemen van het ABP tot overname van het Robeco-fonds?” Het antwoord op 16 januari 1992 van Kok luidde: “Een verzoek om accoord te gaan met een overname door het ABP van enig fonds uit de Robeco-groep is ons nooit gedaan.” Dat klopte. Nadat Financiën zijn condities voor een overname had gesteld kwam het vervolgens nooit tot een formeel overnamebod. Financiën hoefde een overname dus nooit te accorderen. Maar dat had Van Rey niet gevraagd - hij had gevraagd naar de goedkeuring van het voornemen tot overname.

Op Haagse ministeries bestaat voor een dergelijke beantwoording van Kamervragen een term: 'kir', kluitje in het riet. Dat was wat hier gebeurde, al nam minister Kok in dit geval een wel erg scherpe bocht: politiek gesproken is het hem niet te verwijten dat Van Rey met deze onbeantwoording genoegen nam. Van Rey zelf heeft inmiddels een soortgelijke conclusie getrokken. Een gisteren aangekondigd verzoek voor een Kamerdebat over de zaak werd vanmorgen omgewisseld in het stellen van nadere schriftelijke vragen.

Er resteert nog één onduidelijkheid. Waarom is het destijds, ondanks de instemming-onder-voorwaarden van Financiën, niet tot een overname van Rodamco door het ABP gekomen? Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is dat Robeco het bod van het ABP heeft afgeslagen; in dat geval kon het ABP Rodamco alleen 'onvriendelijk' overnemen en heeft Robeco de belangen van zijn aandeelhouders Rodamco ernstig geschaad. Korteweg heeft echter altijd ontkend dat er een bod is uitgebracht. Daarom is de tweede, meer aannemelijke mogelijkheid dat er binnen het ABP, gezien de verziekte interne verhoudingen toentertijd, geen bestuurlijke ruimte bestond om een dergelijke grote slag te slaan. Er ging meer energie zitten in ruzie dan in slagvaardig handelen.

De waarheid komt vermoedelijk nooit meer op tafel. Want inmiddels werken het ABP en Rodamco na een lange tijd van moeizame onderhandelingen nu effectief samen in het onroerend goed, zodat geen van beide partijen een belang heeft de feiten alsnog te openbaren.

    • Tom-Jan Meeus