Justitie: geen CRI-rapport ontvangen

DEN HAAG, 14 APRIL. De vier grote partijen in de Tweede Kamer vinden dat ze door het ministerie van justitie ten onrechte informatie is onthouden over de betrokkenheid van het Surinaamse bewind bij de handel in cocaïne.

Woordvoerders van CDA, PvdA, VVD en D66 noemden het gisteren in een overleg met de ministers Hirsch Ballin (justitie) en Kooijmans (buitenlandse zaken) onbegrijpelijk dat de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) al in 1986 een uitvoerig rapport heeft opgesteld over de rol die Suriname en de Antillen speelden bij de handel in verdovende middelen maar dat Kamerleden op vragen altijd te horen kregen dat de departementen geen informatie over dit onderwerp hadden. Pas sinds een paar jaar krijgt de Tweede Kamer hierover inlichtingen.

Hirsch Ballin zei gisteren dat zijn departement nooit de beschikking heeft gehad over een CRI-rapport uit januari 1986 waarin de namen van de betrokken verdachten worden genoemd en waarin wordt gewaarschuwd voor nieuwe omvangrijke transporten van cocaïne uit Suriname naar Nederland. Hij reageerde daarmee op artikelen in deze krant van januari dit jaar waarin gedeelten uit geheime rapporten werden gepubliceerd en waarin topmedewerkers van de CRI verklaarden dat ze het departement regelmatig hadden geïnformeerd over de cocaïnehandel maar dat de inlichtingen stelselmatig door het ministerie van justitie werden genegeerd.

Het Kamerlid Kalsbeek (PvdA) wees erop dat er “een gat van drie jaar” zit tussen de informatie die justitie verzamelde over dit onderwerp en de mededelingen hierover aan de Kamer. Zij noemde het “onvoorstelbaar dat de CRI een serieus en geheim rapport schrijft dat vervolgens op het ministerie in een bureaula verdwijnt. Ook Weisglas (VVD) noemde het onbevredigend dat men over de cocaïnehandel steeds geïnformeerd moest worden via de pers en zelden via regulier overleg met de bewindslieden.

De Tweede Kamer verwierp ook het eerder door Hirsch Ballin gehanteerde argument dat hij het CRI-rapport uit 1986 - waarin onder andere de rol van de voormalige Surinaamse legerleider Bouterse wordt beschreven bij drugshandel - niet interessant vond omdat het om “zachte informatie” zou gaan die niet van belang was voor de politieke verantwoordelijkheid van een bewindsman. Koffeman (CDA) was het daar niet mee eens, vooral omdat verscheidene politieke partijen de afgelopen tien jaar juist regelmatig over dit onderwerp specifieke vragen hadden gesteld en nooit antwoord kregen. Kalsbeek zei dat de informatie misschien te zacht was voor een succesvolle vervolging van verdachten maar dat de inlichtingen “politiek alleszins relevant” waren. Kohnstamm (D66) zei te vermoeden dat het ministerie wel officieus op de hoogte was van de voor het Surinaamse bewind belastende informatie over drugshandel, maar dat het departement er de voorkeur aan gaf om “mijn-naam-is-haas te spelen”. Ambtenaren hielden wellicht informatie achter voor de toenmalige bewindsman op Justitie, VVD'er Korthals Altes.

Hirsch Ballin zei niet uit te sluiten dat zijn voorganger wel al in 1986 afwist van de cocaïne-handel via informatie van zijn ambtenaren. Maar ondanks verwoede pogingen van zijn ambtelijke staf gisteren tijdens het debat, kon Hirsch Ballin de Kamer geen inlichtingen geven waaruit bleek dat Korthals Altes - bijvoorbeeld via jaarverslagen van de CRI - daar mededeling van had gedaan.

D66 slikte uiteindelijk een eerder geuit dreigement in om een parlementair onderzoek te eisen naar het achterhouden van informatie. Kohnstamm noemde het ,een te zwaar middel'' om ambtenaren onder ede te horen over de vraag waar rapporten waren gebleven.

De Kamer toonde zich unaniem bezorgd over het lekken van stukken naar de pers. Kalsbeek suggereerde dat de frustraties bij ambtenaren kennelijk zo hoop oplopen dat men liever de media informeert. Hirsch Ballin noemde het “een lelijke zaak” dat in deze krant geciteerd werd uit geheime stukken. Hij zei dat een rijksrecherche-onderzoek naar het lek nog niet is afgerond. Hij kondigde “een meer structureel onderzoek” aan naar de beweegredenen van justitiële ambtenaren om vertrouwelijke stukken naar de pers te lekken.

Minister Kooijmans van buitenlandse zaken verklaarde dat een rechtshulpverdrag dat de juridische samenwerking met Suriname moet herstellen inmiddels door het parlement in Paramaribo is goedgekeurd. Het wachten is nu nog op de bekrachtiging van het verdrag via de handtekening van de Surinaamse president Venetiaan.