IN HET STEMHOKJE

J.J.M. van Holsteyn. Het woord is aan de kiezer. Leiden, DSWO Press, 355 blz., ƒ 51,00.

Promotie Rijksuniversiteit Leiden, 24 maart. Promotor prof.dr. G.A. Irwin.

Voor de vijftiende keer sinds de bevrijding worden over drie weken, op dinsdag 3 mei, verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Niemand twijfelt erover dat het dit keer ongemeen spannend zal worden. Is het CDA met Brinkman nu in een vrije val terecht gekomen, zal de VVD de grootste partij worden of toch de PvdA? Zal Kok dan onverwacht toch nog premier kunnen worden en is D66 eindelijk weer op weg naar regeringsverantwoordelijkheid? Vragen die doen vermoeden dat Nederland dit jaar niet zomaar gaat stemmen, maar echt wil kiezen. Nieuwe "paarse' coalitiemogelijkheden lijken nu ook buiten de salons van Des Indes realiteit te kunnen worden en zelfs een CDA in de oppositie is voor het eerst meer dan een hersenschim.

Dit is politiek koffiedik kijken, maar het is wel wetenschappelijk gezette koffie. Al sinds jaar en dag immers wordt de wisselende politieke voorkeur van de Nederlandse bevolking nauwkeurig en met grote regelmaat gevolgd door een aantal opinie-onderzoeksbureaus. De veel besproken verwachtingen over de uitkomsten van de verkiezingen van 3 mei zijn gebaseerd op de trends die de opinie-onderzoekers al sinds langere tijd hebben kunnen vaststellen. Het zijn deze trends die voor een belangrijk deel bepalend zijn voor de wijze waarop en de onderwerpen waarmee de grote politieke partijen deze maand hun campagnes voeren. Het opinie-onderzoek is daarmee ook zelf een politieke factor van gewicht geworden.

De verkiezingen zelf zijn natuurlijk het "echte' opinie-onderzoek, maar ook daar wordt weer onderzoek naar gedaan. Maurice de Hond is de Droste cacaoverpleegster die op de avond van de verkiezingen, uren voor de echte uitslagen bekend zijn, de kamer binnenkomt met de resultaten van het kiezersonderzoek op een blaadje. Zo'n 1500 Nederlanders is meteen na het verlaten van het stemlokaal gevraagd wat ze hebben gestemd en waarom. De politici weten dan in hun commentaren dat waarom altijd weer op verrassende wijze in hun richting te buigen. De kranten doen dat de volgende dag nog eens wat serieuzer over, maar daarna ebt de belangstelling voor de motieven van de kiezer snel weg. Der Mohr hat seine Schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen: voor de vorming van een nieuwe regering is de kiezer niet meer nodig.

Joop van Holsteyn heeft nu in zijn opvallend monter geschreven proefschrift eens grondig het stof weggeblazen van de vijf grote Nationale Kiezers Onderzoeken (NKO) uit de jaren 1977-1989. In een aantal gevallen was het ook nog mogelijk vergelijkingen te maken met onderzoek uit de jaren zestig en zeventig. Het echte kiezersonderzoek begint al met Den Uyl in de jaren vijftig - hij was toen directeur van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijke bureau van de Partij van de Arbeid. Ook andere onderzoekers op dit gebied hebben later zelf voor de politiek gekozen: Marcel van Dam bijvoorbeeld en Hans Gruyters.

Op bijna 9000 NKO-vragenlijsten heeft Van Holsteyn opnieuw opgezocht wat de respondenten destijds hadden geantwoord op de vraag waarom ze op de partij van hun keuze gestemd hadden. Dat was in alle NKO-onderzoeken een open vraag geweest, wat wil zeggen dat de interviewer gewoon opschreef wat de persoon tegenover hem daarover kwijt wilde. Op het eerste gezicht lijkt het misschien de weg van de minste weerstand om als onderzoeker niet zelf de mogelijke antwoorden te verzinnen en de respondent daaruit te laten kiezen, maar juist de open vraag is onderzoekstechnisch nogal lastig, omdat al die kleine verhaaltjes - hier dus zo'n 9000 - weer zo gecodeerd en geanalyseerd moeten worden, dat ze in verschillende categorieën ondergebracht en onderling vergelijkbaar gemaakt kunnen worden. Een monnikenwerk dus, maar omdat die er niet meer zijn, is het nu meestal duur uitzendkrachten- of rommelig studentenwerk, zoals ook Van Holsteyn tot zijn schade heeft moeten ervaren. Hij heeft het uiteindelijk maar allemaal zelf gedaan.

Naar de motivering van stemgedrag is in Nederland weinig systematisch onderzoek gedaan. Misschien lijken de onderzoekers in dat opzicht wel op de gemiddelde Nederlander, die in het algemeen geen hoge pet op heeft van de partijkeuze van zijn medeburgers: in 1967 dacht bijna één op de drie Nederlanders dat de meeste mensen in het kieshokje niet meer deden dan zomaar "ergens' op stemmen en één op de vier dacht dat overwegingen van "persoonlijk voordeel' wel vooral bepalend zouden zijn. Pas daarna noemde men ook "overtuiging' of "traditie'. Het oordeel over de eigen motieven was uiteraard veel positiever: als eerste werd hier naar "overtuiging' verwezen en vervolgens naar "vertrouwen' in bepaalde politici. Het argument van het persoonlijke voordeel werd pas daarna genoemd en zomaar ergens op stemmen bleken maar weinigen te doen.

De vele motieven die mensen voor hun eigen stemgedrag geven, kon Van Holsteyn in een aantal hoofdcategorieën onderbrengen: belangenbehartiging ("voor ons arbeiders'), religie, principes (socialistisch, liberaal), partijbinding ("beste partij'), programma, issues (abortus, euthanasie, kernbewapening), macht ("karwei moet worden afgemaakt'), vertrouwen in personen, in het bijzonder een bepaalde lijsttrekker, imitatie (meestal stemadvies van de echtgenoot) en in een enkel geval ook de campagne die een partij heeft gevoerd. Uiteraard gelden voor de meeste mensen maar enkele motieven, maar vaak is men daar wel consistent in, ook over de tijd gezien. Panelonderzoek - dezelfde mensen bij verschillende verkiezingen ondervraagd - laat zien dat zelfs met een tussenpoos van jaren mensen nog in dezelfde termen over hun partijvoorkeur spreken, bijvoorbeeld altijd wijzen op de kwaliteit van de lijsttrekker of op de standpunten ten aanzien van bepaalde issues.

De relatie tussen de stemmotivatie en het karakter van de gekozen partij is niet altijd evident. Het lijkt vanzelfsprekend dat CDA-kiezers religie en traditie belangrijke motieven vinden, maar de waardering voor het CDA-programma scoort toch al bijna even hoog en het allerbelangrijkste motief wordt in de loop van de nog korte geschiedenis van het CDA toch "macht', een thema dat in de jaren voor 1980 nog geen rol van betekenis speelt in het stemgedrag van kiezers op welke partij dan ook.

Opvallend consistent is de aanhang van de Partij van de Arbeid in de keuze voor "belangenbehartiging " als belangrijkste motief om op die partij te stemmen. Je zou dat ook bij de VVD verwachten, maar daar is het beeld veel diffuser: principe, programma en issues zijn daar van grotere en steeds ongeveer even grote betekenis. Ook de machtsoverweging komt daar nog voor de belangenbehartiging. Bij D66 spelen die laatste twee overwegingen veel minder, maar gemiddeld scoort D66 het hoogst van alle partijen - ook toen het haar heel slecht ging - op het oordeel "beste partij', wat overigens meestal niet meer wil zeggen dan "bij gebrek aan beter'.

Uiterst rechts wil in de jaren tachtig ook steeds zeggen uiterst religieus en principieel, bij de komende verkiezingen mag men aannemen dat de CD voor een sterker issue-accent (antibuitenlanders sentiment) zal gaan zorgen. Uiterst links ging het altijd al om issues, bijvoorbeeld om de milieubescherming of het verzet tegen kernenergie en kernbewapening.

De persoonlijke populariteit van de lijsttrekker blijkt minder door te klinken in de stemmotiveringen dan men misschien zou verwachten, al heeft bij de verkiezingen van 1989 het CDA zeer geprofiteerd van het Lubbers-effect ( stemmotief voor ongeveer 20% van de CDA-kiezers). 85% van alle stemmen wordt op de lijsttrekkers uitgebracht en steeds meer zijn het de lijsttrekkers die het beeld van een partij bepalen (wie weet zonder aarzeling de nummers twee en drie van CDA, PvdA of VVD te noemen?), maar kennelijk levert dat voor de kiezer maar zeer beperkt een stemmotief op.

Over een periode van ruim twintig jaar gerekend is duidelijk te zien dat de motieven voor de partijkeuze over de hele linie veranderen en steeds meer bepaald worden door "prestaties, plannen en personen', door overwegingen van macht en door actuele issues. Religie, traditie en partijbinding zijn snel minder belangrijk geworden.

Wat mij in het onderzoek van Van Holsteyn bijzonder opviel - zelf trekt hij die conclusie niet - is dat er zo weinig aanleiding lijkt te zijn voor dat eeuwige gezeur over het ontbreken van politieke belangstelling. Twintig jaar kiezersonderzoek laat eerder een toenemende belangstelling bij een ook steeds beter geïnformeerd en steeds zelfstandiger oordelend publiek zien. De partijpolitieke binding is minder geworden en sommige groepen hebben nadrukkelijk afgehaakt, maar het aandeel van de ongeldige of blanco stemmen is enorm gedaald sinds het verdwijnen van de opkomstplicht bij de verkiezingen en het echte proteststemmen is het prerogatief van een kleine minderheid gebleven.

Van Holsteyns' boek lijkt mij in de komende weken verplichte literatuur voor campagneleiders en canvassende politici. Ze zullen zich er door gesteund kunnen voelen en er tegelijkertijd ook veel van kunnen leren, al slaagt ook Van Holsteyn er niet in het stemgedrag volledig te verklaren en te voorspellen. Hij komt redelijk ver, maar ik vind dat niet het echt interessante aan zijn boek. Wat hij vooral in het begin van zijn studie overtuigend weet duidelijk te maken, is dat het zin heeft de kiezer te vragen zelf de redenen voor zijn keuze in het stemhokje onder woorden te brengen. Hoe kort of lapidair ook geformuleerd, in de meeste gevallen blijkt het om redelijke, rationele en invoelbare overwegingen te gaan. Nog altijd een land vol keurige en gewetensvolle democraten, dat zal ook op 3 mei weer blijken. Hoop ik.

    • Paul Schnabel