Het recht van de aller-, allersterkste; Nederland rond de boksring

Op de tribune lijkt het alsof iedere toeschouwer verstand heeft van boksen. “Links, links, die rechtse komt vanzelf”, roepen de mannen terwijl ze met hun vuisten het voorbeeld geven. Boksen roept emoties op. In geen enkele sport is een overwinning zo tijdelijk, een nederlaag zo permanent.

Profboksen

Maandag 18 april, vanaf 20u. Boksgala met onder meer de Nederlanders Regilio Tuur en Don Diego Poeder en de Mexicaanse wereldkampioen Zack Padilla. Sportpaleis Ahoy' Rotterdam. Kaarten van ƒ 25,- tot ƒ 200,-. VIP-arrangement ƒ 300,-. Voorverkoop kassa Ahoy': 010-4812144.

September. Boksgala in Ahoy' met waarschijnlijk gevecht van Tuur om de wereldtitel.

Amateurboksen

Inlichtingen bondsbureau Nederlandse boksbond: 020-6141430. Zondag 15 mei: Interland Nederland - Ierland, vanaf 14u. Schuttersveld, Rotterdam. Op 22, 24 en 29 oktober voorwedstrijden in Nieuwegein en op 31 oktober finales Nederland kampioenschap, Schuttersveld in Rotterdam.

Snoeiharde muziek dreunt door de hal in afwachting van Regilio Tuur. De schijnwerper speurt in een hoek van de zaal naar een drukgebarende kluwen. Gehuld in een glimmend zijden badjas, omringd door trainer en verzorgers dribbelt de bokser tussen de toeschouwers door naar de ring. Hij klimt omhoog, wringt zich door de touwen. Door de muziek heen klinkt applaus. Regilio Tuur is het hoofdnummer van het boksgala, de belangrijkste van de zes partijen die in maart op het programma stonden. Hij bokst de wedstrijd waarvoor de drieduizend toeschouwers naar het Rotterdamse Ahoy zijn gekomen. Ze willen de knock-out zien. De kleine, sterke man die zijn tegenstander tegen het canvas slaat.

Op 7 maart bokste hij tegen de Rus Sinitsin, maandag 18 april treft hij de Amerikaan Bobby Johnson, in september van dit jaar volgt in Rotterdam een gevecht om de wereldtitel. Het zijn zeldzame gevechten in Nederland, waar profboksen sinds het verscheiden van Bep van Klaveren noch de populariteit, noch de cultstatus heeft weten te handhaven die het in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië bezit.

In Nederland vinden sommige moraalridders boksen minstens zo verwerpelijk als stierenvechten. Men kan er niet tegen als twee volwassen mannen elkaar op hun neus willen slaan. In Amerika hebben gerenommeerde auteurs als A. J. Liebling in The New Yorker, Norman Mailer en Ernest Hemingway in verslagen en verhalen hun passie voor boksen verwoord. In hetzelfde Amerika werd de boksfilm "Raging Bull' van Martin Scorcese met Robert de Niro als Jake LaMotta een succes en de boksroman Fat City van Leonard Gardner een bestseller. Nederland moet het doen met fraaie, maar dunne boekjes van Armando (De Boksers) en van Jules Deelder over Van Klaveren. In Amerika zijn Jack "The Manassa Mauler' Dempsey, Max "The Black Uhlan' Schmeling, Joe "The Brown Bomber' Louis en Mohammed Ali in het collectieve geheugen gegrift. In Nederland zijn Rudy Koopmans en Eddy Smulders al weer bijna vergeten. In geen enkele sport is een overwinning zo tijdelijk, is een nederlaag zo permanent.

Boksen dreigt in Nederland een langzame dood te sterven. Nederland telt een dozijn profs, de boksbond heeft vijfduizend leden. Hooguit vijf procent van de amateurs bokst ook wedstrijden. Tuur, die in Brooklyn traint en op Long Island woont, moet Nederland weer laten zien wat boksen is. Hij moet de fans naar de ring halen. Hij is een bokser met de juiste techniek, voldoende kracht en de goede teksten. “Boksen in New York is de Hogeschool van het Leven. Hier geldt niet het recht van de sterkste, maar van de allersterkste.”

Aan Tuur valt voor de promotor en voor de commerciële televisie geld te verdienen. Men schat hem goed genoeg voor de wereldtitel. In de toekomst kunnen de gages per gevecht oplopen tot meer dan een miljoen gulden. Zijn promotor - Tuur doet zaken met de machtige Amerikaan Bob Arum, die nog heeft samengewerkt met Mohammed Ali - krijgt een vast percentage. Filmnet hoopt abonnees te werven met sport en kocht voor enige tienduizenden guldens het recht op exclusieve live-reportages van de Nederlandse gala's. En de Nederlandse fans krijgen voor het eerst in eigen land partijen om de wereldtitel voorgeschoteld. Maandag tussen twee Amerikanen, deze zomer tussen Tuur en een kampioen van een van de vier wereldboksbonden.

Boksfans zijn hopeloos partijdig. Wedstrijden op vreemd terrein, vooral tegen Latijns-Amerikaanse tegenstanders, worden uitgevochten in een ronduit vijandige sfeer. “Het leek wel oorlog”, verzuchtten leden uit het kamp van Tuur, toen die zijn Europese titel moest verdedigen tegen Yoma in de tropische hitte van Frans-Guyana. De arena was een heksenketel, de scheidsrechters voelden zich bedreigd en besloten volgens Tuur daarom Yoma tot winnaar uit te roepen.

In Nederland valt het mee. Iedere rake klap van een Nederlandse bokser vraagt om geschreeuw vanaf de tribune, en na een snelle combinatie is de zaal bijna niet meer te houden. Maar de fans komen in Rotterdam niet van hun plaats en gooien niet met bier of munten naar de ring. De agressie die broeit in de ring en op de tribune, is bovendien na de laatste gong al weer snel verdwenen. Nederlanders lijken te nuchter om zich volledig mee te laten slepen. Het Latijns-Amerikaanse temperament, zoals dat ook bij voetbalwedstrijden van de tribunes spat, is onder Nederlandse sportfans alleen te vinden naast de schaatsbaan, waar de Berenburg iedere remming heeft opgeheven.

Kijken naar boksen is gefascineerd zijn door het Ware Leven. Boksers leven met gevaar, ze leven intenser, en kunnen geen moment hun masker van Gevaarlijk Man afdoen, zelfs niet tijdens een wandelingetje in het park. De wereldkampioen zwaargewicht is de sterkste en stoerste man van de wereld. Misschien is boksen wel helemaal geen sport; het spelelement ontbreekt immers. Een boksgala biedt zes partijen tussen twee vrijwel naakte mannen die op elkaar in staan te beuken. Doel is elkaar raken, uitschakelen, tegen de grond slaan, met expliciete agressie en brute kracht.

“Ik probeer mijn opponent op het puntje van zijn neus te raken”, zei Mike Tyson eens in een interview, een Amerikaanse voormalige wereldkampioen zwaargewicht, die nu wegens verkrachting in de gevangenis zit. “Omdat ik probeer het bot door zijn hersens te slaan.”

De dood doet altijd mee. De regels zijn streng. Een arts zit de hele partij op de beste plaats aan de ring, maar een stoot kan altijd verkeerd terecht komen. Tussen 1945 en 1985 overleden in de Verenigde Staten bijna vierhonderd boksers aan de sport; onderzoeken wezen uit dat bijna negentig procent van de professionals een vorm van schade opliep. Toch, zeggen de kenners, is boksen pas de zevende op de ranglijst van gevaarlijke sporten, na onder meer bergbeklimmen, autosport en ijshockey.

Boksen heeft meer te maken met slagen ontwijken en opvangen dan met tikken uitdelen. In de Oudheid, op de Griekse Olympische Spelen, was boksen nog de hardste discipline. Het huidige boksen is ontstaan uit de kermisartiesten die in de achttiende eeuw in een theater zonder enige regels om een geldprijs vochten. Met blote vuisten; duwen en houdgrepen waren toegestaan. De Engelsman James Figg was zo'n artiest. Hij doopte zijn schermacademie om tot boksschool en verzon voor het boksen de frase The Gentlemanly Art of Self-Defense. Figg won drie keer van zijn landgenoot Ned Sutton en riep daarna zichzelf uit tot wereldkampioen.

Een eeuw later publiceerde de Markies van Queensberry een reglement, de Queensberry Rules uit 1866, die met wat aanpassingen eigenlijk tot nu toe zijn blijven gelden. Boksers moesten voortaan handschoenen aan. Niet om het hoofd van de tegenstander te beschermen, maar omdat knokkels en vingers makkelijk breken. Een wedstrijd ging bestaan uit een aantal - bij titelgevechten tien tot twaalf - ronden van drie minuten. Tussen de ronden kregen de mannen een minuut pauze. Een knock-out - een bokser die neergaat en niet binnen tien seconden verder kan vechten heeft verloren - kon een partij voortijdig beslissen. Het onderscheid in gewichtsklassen werd ingevoerd. Aanvankelijk waren het er drie (zwaar, midden, licht), inmiddels zijn er een tiental klassen: van vlieggewicht (minder dan 50 kilogram) tot zwaargewicht (meer dan 80 kilo). Boksers mochten elkaar raken op hoofd en lichaam, maar niet onder de gordel, niet op de nierstreek, niet op het achterhoofd en in de nek. Ze mochten voortaan alleen met de vuisten stoten, niet met de binnenkant van de handschoen.

Nog steeds moet bokstrainer Jan Schildkamp, de ontdekker van Regilio Tuur, vechten tegen de onwetendheid over boksen. Op televisie zien de mensen profboksers neergaan. “Een moeder ziet toch haar eigen kind daar liggen”, zegt Schildkamp. Hij werd gebeld door een onderwijzer, die wilde komen trainen. “Is het ook mogelijk dat mijn neus niet gebroken wordt?” Natuurlijk, moest Schildkamp hem gerust stellen.

Er is een groot verschil tussen profs, amateurs en recreanten. De vijfduizend leden van de boksbond zijn vrijwel allemaal recreant. Om als amateur aan een wedstrijd mee te mogen doen, dienen de boksers toestemming van hun trainer te krijgen. Door te winnen kunnen ze uiteindelijk promoveren naar de A-klasse. Als ze daarin zeven partijen winnen, niet ouder zijn dan 28 jaar en door een strenge medische keuring komen, kunnen ze een prof-licentie aanvragen.

Rotterdam kent een half dozijn boksverenigingen, net als Den Haag en Amsterdam. “Ik heb hier van alles rondlopen”, zegt Schildkamp. “Zakenlui, internisten, boefjes. Hooguit vijf procent van de leden bokst wedstrijden, de rest is recreant”, vertelt de trainer in zijn boksschool in het Rotterdamse voorstadje Hoogvliet. Hij draagt een glimmend groen-wit-blauw trainingspak, het zilveren haar strak achterover gekamd.

Iedere avond komt een man of dertig zich in het zweet werken. Na de warming-up, tien slopende minuten touwtje-springen, mogen de leden boksen. De gevorderden met de gevorderden, de beginners met een ervaren, rustige partner die voortdurend aanwijzingen geeft. Eerst eenvoudig, een linkse directe op de handschoen van de partner, dan gecompliceerde series: links, links, rechts, linkse opstoot. De training bestaat louter uit conditie en techniek. Alles verloopt gecontroleerd en beheerst. “Als je voluit zou gaan is het alleen leuk voor de allersterkste. Elke tik die je krijgt is vervelend.”

Wedstrijden tussen profs zijn zeldzaam, tussen amateurs zijn schaars in Nederland. “Het is moeilijk om een programma vol te krijgen”, vertelt Schildkamp. Nu is er hooguit een keer per maand boksen, twintig jaar geleden nog iedere week. Ook het profboksen leefde toen. In de jaren zestig en zeventig Mohammed Ali op televisie: “'s Avonds zag je hem op het journaal al ruzie maken met zijn tegenstander. Hij bokste altijd om drie of vier uur 's nachts. En als je dan opstond en naar buiten keek was niet alleen bij ons het licht aan, maar overal in de straat.”

Bij de jaarlijkse districtswedstrijden tussen amateurs zitten hooguit enige tientallen toeschouwers. Negentig procent mannen van twintig tot vijftig jaar, net als op de tribune van een voetbalstadion. De vrouwen en de kinderen zijn familie van de mannen in de ring. “Links, links”, roepen ze hard naar hun favoriet. “Die rechtse komt vanzelf.”

In de kleine zaaltjes worden de nieuwe boksfans geboren, hoopt Schildkamp. Want het groepje vaste fans dat naar de grote wedstrijden komt kent hij allemaal van gezicht. De duurste kaarten bij Tuur kosten tweehonderd gulden. “De mensen die altijd vooraan zitten”, vertelt Schildkamp, “zijn degenen die de loterij hebben gewonnen of altijd keihard gewerkt hebben. Die hebben er alles voor over.” Onder de vast genodigden schaart hij Gerard Cox en de Feyenoorders John de Wolf, Gaston Taument en Regi Blinker.

Het mooiste van een boksgala is het publiek, vindt Schildkamp. “Op de tribune worden honderden wedstrijden gebokst. Iedereen doet mee, met schijnbewegingen. Het is net als met ruzie maken op straat. Dan komen er mensen kijken en die zouden het liefst allemaal aanwijzingen willen geven.”

    • Remmelt Otten