Het continent Afrika is niet in de vergetelheid geraakt

Afrika het vergeten, zo niet het verloren continent. Het is een conclusie die bewaarheid schijnt te worden door chronische economische stagnatie, door overbevolking, honger, ziekte en massamoord. Toch is de internationale bemoeienis er omvangrijker, langduriger, intenser en meer gespreid dan op welk ander continent. De blauwhelmen vonden als het ware hun ontstaan in het Afrikaanse Egypte toen zij daar in 1956 het troepenscheidingsakkoord met Israel moesten waarborgen. Het eerste gewapende optreden van de vredessoldaten van de Verenigde Naties had enkele jaren later eveneens op Afrikaanse bodem plaats: tegen een afscheidingsbeweging in het zojuist onafhankelijk geworden Belgisch Kongo, nu Zaïre.

Dat laatste ingrijpen is voorbeeldig gebleken voor de latere internationale interventies in Afrika. Daarbij ging het er niet om vrede te bewerkstelligen tussen belligerente staten, maar steeds weer om bestaande staten, doorgaans erfenissen van een koloniaal verleden, in stand te houden, om het 'proces van nation building', zoals dat werd genoemd, te bevorderen. Op een continent waar de staatsgrenzen waren getrokken onafhankelijk van de tribale, linguïstische, religieuze of culturele scheidslijnen is dat een nauwelijks te verwezenlijken opdracht gebleken. (Dat geldt overigens niet voor Rwanda en Burundi.) De ononderbroken trek naar de steden mag veel van het oude Afrika in de vergetelheid hebben gedrongen, op momenten van verhevigde emoties voltrekken de moordpartijen zich over en weer het traditionele tribale onderscheid. Een groeiende reeks 'mislukte staten' (The New York Times) achterlatend.

Of het nu gaat om de gewelddadigheid van de Inkatha-beweging van de Zuidafrikaanse Zulu's, om de bloedige tegenstelling tussen de bantu's en hamieten (respectievelijk Hutu en Tutsi) van Rwanda en Burundi, de onderlinge naijver van de Somalische clans of de wrede bendeoorlog in Liberia, het zijn de etnisch bepaalde tegenstellingen met hun wortels in een pre-koloniaal verleden die het onderlinge bloedvergieten tot een repeterend verschijnsel maken.

Ook in landen waar religie, ideologie of politiek meespeelt of meespeelde valt of viel de etnische factor niet te verwaarlozen: Nigeria tijdens de afscheidingsbeweging van de christelijke Ibo's in de jaren zestig, de slepende burgeroorlog in Soedan van het islamitische en Arabische noorden tegen het christelijke en zwarte zuiden, de jarenlange worsteling tussen MPLA en FLNA in Angola, de strijd om de onafhankelijkheid in Namibië, het overlevingsgevecht van het Frelimo-bewind in Mozambique tegen de rambo's van Renamo, de burgeroorlog in Ethiopië die leidde tot de afscheiding van Eritrea, in zekere zin de achtereenvolgende burgeroorlogen in Uganda en de gewelddadige oprispingen in Zaïre inbegrepen. Waarmee niet gezegd wil zijn dat alle hier niet genoemde Afrikaanse landen die duivelsdans hebben weten te ontspringen.

De internationale bemoeienis heeft zich overigens niet beperkt tot de VN. Cubanen en Zuidafrikanen stonden tegenover elkaar in Angola. Het gewapende Franse optreden in Tsjaad wist de Libische greep naar dat land keer op keer te dwarsbomen, en hoe vaak zijn Franse en Belgische para's niet in Zaïre en de voormalige protectoraten Rwanda en Burundi actief geworden, weliswaar om tijdens steeds weer oplaaiende onlusten eigen burgers te evacueren, maar toch ook met het bewuste of bijkomende gevolg van het instandhouden van het landsbestuur en daarmee van een min of meer functionerende staat.

Afrikaanse landen hebben zich niet onbetuigd gelaten bij de troebelen buiten de eigen grenzen. Tanzania heeft destijds een beslissende rol gespeeld bij de omwentelingen in buurland Oeganda, Zaïre zond in 1990 troepen naar Rwanda. De Organisatie van Afrikaanse Staten liet zich betrekken bij de anarchie in Liberia zonder daar overigens een overtuigend succes te boeken. Enkele van de deelnemers aan het Afrikaanse vredeskorps zijn bovendien zelf zo ernstig aangetast door de worm van de etnische tegenstelling dat hun geloofwaardigheid als 'nation builder' elders inmiddels veel te wensen overlaat. Ook bemiddeling door de OAE in Rwanda bleef zonder duurzaam gevolg.

Het lichtend voorbeeld voor heel Afrika had de Amerikaanse interventie in Somalië moeten zijn. Het was niet de eerste en niet de laatste keer dat de Verenigde Staten daadwerkelijk in Afrika ingrepen. Mariniers hadden eerder Amerikaanse burgers weggehaald uit de mêlée in het Liberiaanse Monrovia. De afgelopen dagen deden zij hetzelfde in Kigali. Maar de invasie in de nacht van 8 op 9 december 1992 toen de voorhoede van een strijdmacht van 36.000 zwaarbewapende manschappen in Mogadishu aan land ging, had een omslag in de geschiedenis van Afrika kunnen veroorzaken. Indien het een overtuigde en overtuigende poging was geweest om de etnisch aangejaagde anarchie te keren.

In werkelijkheid hadden de tienduizenden militairen een beperkte opdracht: de hongersnood te lenigen die het voortbestaan van een miljoenenbevolking bedreigde. Op zichzelf was die opdracht natuurlijk de moeite waard en zij werd niet zonder resultaat uitgevoerd, maar het bleef op die manier bij symptoombestrijding. Pas toen de Amerikaanse strijdkrachten weer tot enkele duizenden waren gereduceerd, werd, onder verantwoordelijkheid van de VN, de tactiek gewijzigd. Toen was het evenwel te laat. De aanvankelijk coöperatieve krijgsheer Aideed viel terug op een beproefde methode: de Amerikanen een spectaculair verlies toebrengen om op die manier de Amerikaanse openbare mening tegen de interventie te mobiliseren. De laatste geüniformeerde Amerikaan is inmiddels vertrokken, op een handvol bewakers van de diplomatieke missie na.

Niemand zal weten of hier een kans is gemist of dat het vervroegde vertrek van de Amerikanen erger heeft voorkomen. Maar het vraagstuk is gebleven, in ethische en politieke zin. In Rwanda en Burundi wordt het dilemma nu weer scherp gesteld: mag een zichzelf uitmoordende samenleving aan haar lot worden overgelaten en zo neen, valt er dan aan het bloedvergieten een einde te maken zonder de vernietigingsmachine in een nog hogere versnelling te brengen? Het antwoord dat bemiddeling de oplossing moet brengen, gaat nogal eens aan de werkelijkheid voorbij. De aansporing toch vooral een Afrikaanse weg uit de problemen te zoeken klinkt verstandig, maar die weg heeft doorgaans nu juist naar de ellende geleid. Na dertig jaar, het zij toegegeven: belaste onafhankelijkheid kan niet langer uitsluitend naar het koloniale verleden als bron van alle ergernis worden verwezen.

Afrika is rijk aan mislukte pogingen tot vreedzame bemiddeling. Rwanda is daarvan een voorbeeld. Maar vergeten is Afrika nog niet.