Gedwongen pauzes zijn voor iedereen verkwikkend, zeker voor topsporters; Wedergeboorte na rustperiode

Laten we aannemen dat Richard Krajicek zijn wedergeboorte beleefde door in Barcelona een toernooi te winnen na een gedwongen rustperiode van vijf maanden. Dat zou mooi zijn, dat zou zelfs heel mooi zijn voor wie begaan is met hem en het Nederlandse tennis.

Zo opmerkelijk is zo'n herrijzenis nu ook weer niet dat we er meteen zo veel ophef over zouden moeten maken. Een pauze dan wel een periode van bezinning is nu eenmaal voor iedereen verkwikkend, dus zeker voor mensen van wie doorlopend topprestaties worden verlangd.

In tijden van ziekte of vakantie kunnen lichaam en geest een antwoord krijgen op vragen als: Wie ben ik nu nog? En waar ben ik mee bezig? De race in de prestatiemaatschappij kan even worden gestaakt. Er is tijd voor reflectie en introspectie.

Hollen heeft geen zin als we niet weten waar we naar toe hollen, hoewel we voortdurend worden geconfronteerd met uitputtingsverschijnselen. Pijn is een signaal dat er iets mis is, dat we te ver zijn gegaan. Het lichaam liegt nooit. Maar wie zal het geloven?

Topsporters gunnen zichzelf niet de tijd en de rust om naar deze signalen te luisteren. De top van de Olympus lonkt, geld is verleidelijk en verering is de hoogste graad van bevrediging. Er is weinig tijd, de jaren gaan tellen, de concurrentie staat niet stil en een moment van stilstand betekent achteruitgang. Wie niet traint gaat vervetten, zeggen wielrenners.

En toch zijn er telkens voorbeelden van topsporters die na een periode van rust tot wedergeboorte komen. Wielrenners die in het voorjaar ziek worden of zoiets als een been breken, blijken in het najaar frisser dan de concurrentie die vanaf het begin van het seizoen aan het front heeft gefietst.

Greg LeMond is zo'n renner. In de jaren dat hij in het voorjaar sukkelde met zijn gezondheid, won hij de Tour de France. Dat is niet eerlijk, zeiden de concurrenten die uitgeput aan de zwaarste wedstrijd van het jaar begonnen. Het zal wel met doping te maken hebben, zeiden anderen die achter de plotselinge opleving een mysterie vermoedden.

Ruud Gullit is ook zo'n voorbeeld. Hij reisde stad en land af om chirurgen te consulteren over zijn versleten knie. Totdat hij tijdens zijn 'shopping' een chirurg tegenkwam die zei dat hij vertrouwen had in genezing, maar alleen als de wanhopige en door menigeen afgeschreven voetballer daarvoor de tijd wilde nemen. Dus niet doorgaan met verdovingen die hij wel dan niet onder druk van bepaalde belangen onderging. Gullit genas als door een wonder, mede omdat hij als geen andere topvoetballer het leven doorgrondt, en die in een atmosfeer die minder drukkend is dan bij het ambitieuze AC Milan zichzelf terugvond.

Yvonne van Gennip werd in de maanden die voorafgingen aan de Winterspelen van 1988 gehinderd door een ernstige voetblessure. Geen sportvrouw die zo'n toonbeeld was van zelfkwelling en die werd gekenschetst als een 'twijfelkontje'. Maar in Calgary '88 stond zij er. Zomaar, in rust, niet geplaagd door de vraag of zij wel kon winnen. En ze won. Ze won drie gouden medailles, meer goud dan de Oostduitse Enke, de onaantastbare, die gebukt ging onder de druk van de favorietenrol die het DDR-systeem haar oplegde.

Sport mag dan mysteries herbergen, zo mysterieus zijn sportprestaties of het plotselinge gebrek daaraan zelden. Dennis Bergkamp zou zich vorig jaar om deze tijd hebben gespaard bij Ajax, omdat hij al zeker was van een miljoenencontract bij Inter Milaan. In werkelijkheid leed Bergkamp. Maar hij is niet het type sportman dat klaagt. Pas toen hem de kritiek op zijn spel ging irriteren, meldde hij ten einde raad dat hij last had van een enkelblessure.

Bergkamp wilde zich niet laten kennen. Hij wilde laten zien dat hij nog altijd de beste was. Hij gunde zichzelf geen rust. Hij wilde glorieus afscheid nemen. Had hij rust genomen, dan was hij aan de schandpaal genageld, als een geldwolf.

Ga er maar aan staan, wees maar eens een held die niet voldoet aan de verwachtingen van het hongerige volk. Wanneer Bergkamp dezer dagen, nu hij regelmatig doelwit is van teleurgestelde Italiaanse supporters, zegt dat hij rust neemt om even afstand te kunnen nemen, is zijn carrière bij Internazionale voorbij. Die vrijheid kan hij zich niet permitteren. Dat is zijn noodlot.

Ook deze journalist maakt zich schuldig aan kritiek op sportmensen die niet voldoen aan de eisen van topsport. Ook hij maakt deel uit van de wereld die overhoop ligt met de hoop en de wanhoop. We vragen met z'n allen zo veel van die sportmensen. Zonder hen zijn we niets, zonder hen zijn we machteloos tegen de ondergang van deze wereld. Sport is onze laatste hoop, onze religie. Sport geeft ons afleiding en emotie, sportmensen zijn onze goden.

Goden kunnen zonder pijnstillende injecties. Zij kunnen zonder veeleisende commerciëlen, zonder op macht beluste voorzitters en zonder egotrippende trainers. Zij kunnen zonder medicijnmannen die een voortdurend gevecht moeten leveren met Hippocrates. Wie als arts een eed aflegt weet niet met welke problemem hij wordt geconfronteerd wanneer hij door commerciëlen begeleide topsporters begeleidt. Zeg maar eens tegen al die betrokkenen dat het voor de sportman onverantwoord is met een blessure door te sporten, al dan niet met een verdovende injectie of met een geneesmiddel dat op een lijst van verboden medicijnen staat.

Er wordt gewerkt aan gedragsregels voor artsen. Dat ze hun publiciteitsgeile mond houden als het over de enkel van Marco van Basten gaat of over de hormonale huishouding van hun patiënten. Wanneer ze wel mogen ingrijpen, wanneer niet. Wanneer ze moeten zwijgen.

Maar wordt er nagedacht over de gedragsregels van topsporters? Dat ze af en toe mogen zeggen dat ze rust nodig hebben, omdat ze geblesseerd zijn of verzadigd. Dat ze de druk van de commerciëlen, die de sport naar hun hand zetten, de voorzitters en de trainers, dat ze druk van het geld en andere verleidingen even niet aan kunnen. Dat die puntenklassementen die sportorganisaties verzinnen, hen verplichten dag in dag uit prestaties te leveren. Dat ze af en toe de scheidsrechters mogen uitschelden, de sponsor, de voorzitter en de journalisten, dat ze ons allemaal zat zijn. Dat ze in vrijheid willen sporten en rijk worden.

Wie aan topsport doet, doet het zichzelf aan. Natuurlijk. Doe maar gewoon, doe niet aan topsport, dat doen anderen wel. Maar wie Richard Krajicek maandag op de foto heeft gezien, met die te grote bokaal, met dat lachende gezicht dat verlichting verraadt, weet dat er nog hoop is. Dat topsport zijn bekoring heeft. Dat na rust en bezinning een nieuw leven begint.

    • Guus van Holland