Deutsch macht Spass

In schril contrast tot de omvangrijke wederzijdse handelsbetrekkingen, hebben Nederlanders maar weinig belangstelling voor de Duitse taal. Middelbare scholieren zien het vak niet zitten. Vorig jaar maart kwam het Instituut Clingendael met een onderzoeksrapport waaruit nog eens bleek hoe ongenuanceerd Nederlanders tegen het Duits, de Duitsers en Duitsland aankijken. Reden voor de "Stichting ter bevordering van de Duitse taal in Nederland' om een "startconferentie De Duitse taal in Nederland in beroep en onderwijs' te organiseren. Dit in nauwe samenwerking met het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, het Goethe-instituut en de Nederlands-Duitse Kamer van Koophandel.

Op deze bijeenkomst, afgelopen dinsdag in Nieuwegein, werd in bijzijn van Claus J. Citron, Duits amdassadeur in Den Haag en beschermheer van de stichting, een "beleidsplan' gepresenteerd. Het behelst "gerichte actie ter verbetering van het onderwijs in het Duits en voor het bewerkstelligen van een meer realistisch beeld van de Duitstalige landen en hun bewoners.' Met onmiddellijke ingang zal een "centrale infobalie Postbus Duits' worden ingericht en er komt een "Platform' waarin alle belangengroeperingen die zich voor een positiever beeld van de Duitstalige landen inzetten elkaar treffen, zodat acties beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Vice-voorzitter van de stichting G.J. Doeksen vindt de ""afkalving in ons onderwijs sinds 1968 van de positie van de taal van ons grootste buurland'' een ""gevaarlijke zaak''. De werkgroep "Deutsch macht Spaß', die naast het tijdschrift D-Blatt voor leraren Duits en een jaarlijkse leerlingenkrant Extra editie inmiddels tal van speciale brochures heeft uitgebracht, krijgt nauwelijks geld. Doeksen: ""Structurele financiële bijdragen van enige omvang uit de Nederlandse samenleving hebben we nooit ontvangen. Dat we desondanks bijna al onze doelstellingen tot nu toe konden realiseren, hebben we - de eerlijkheid gebiedt het ons dit te zeggen - te danken aan financiële ondersteuning van Duitse zijde.''

Drs J.C. Blankert, voorzitter van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond NCW, benadrukt het belang van een goede kennis van het Duits voor onze handelsbetrekkingen met een groeiend gebied in Europa. Orders worden zijns inziens misgelopen omdat Engels lang niet altijd voldoet. Blankert: ""Vreemd genoeg accepteren wij dat het Duits in veel gevallen is teruggebracht tot een keuzevak. Terwijl toch Duitsland en Duitssprekende landen zowel voor onze import en export als voor andere vormen van economische samenwerking van essentiële betekenis zijn.''

Het ministerie van Onderwijs bij monde van plaatsvervangend secretaris-generaal dr F.J.H. Mertens beaamt de noodzaak van een nieuwe start voor het vak Duits, maar ziet aan de andere kant ""heel interessante perspectieven''. Die vloeien voort uit plannen voor de Basisvorming (Duits in het Voorbereidend Beroepsonderwijs VBO) en de toekomstige profielen in de bovenbouw van het middelbaar onderwijs. Mertens: ""Tegenwoordig durven we het hardop te zeggen: de student in het Wetenschappelijk Onderwijs moet boeken kunnen lezen in de drie moderne vreemde talen. Daarom zullen de vier VWO-profielen in hun algemene deel die drie talen omvatten.''

Mertens benadrukt dat onderwijsbeleid ten aanzien van Duits niet zozeer door het Clingendaelrapport wordt ingegeven als wel door ""het nuchtere feit van de toenemende internationalisering''. Met het wegvallen van de Europese binnengrenzen zal in de toekomst grensoverschrijdend studeren steeds normaler worden, bij voorbeeld aan Fachhochschulen. Al met al vindt hij het klimaat voor Duits stimulerend: ""Geen wonder dus dat de terugloop in het aantal eindexamenkandidaten dat Duits kiest tot staan is gekomen.''

Germanistiek

Blijft staan dat Duits in het middelbaar onderwijs te maken heeft met een imagoprobleem. ""Het Koot en Bie-syndroom'', vindt prof dr G.J. Westhoff, hoogleraar in de didactiek van de moderne vreemde talen en ex-leraar Duits. ""Wij spreken een soort Duits dat daar al eeuwen lang niet meer wordt gesproken.'' Dat komt, aldus Westhoff, door de sterke oriëntatie op de Germanistiek die als academische discipline het onderwijs altijd heeft geteisterd. ""Er is een fixatie op problemen, op moeilijke constructies die geen Duitser in de mond zal nemen. Om aan de bestaande behoeften te kunnen voldoen zullen de opleidingen zich inhoudelijk veel meer dan voorheen op de schoolpraktijk moeten richten, en op het gebruik van de taal. Het onderwijs moet gewoon leuker.''

Het "Clingendaelsyndroom' kan volgens Westhoff effectief bestreden worden met meer uitwisselingsprojecten voor scholieren. ""Dan zien ze ineens dat op een Duits gymnasium soms wel veertig procent van de leerlingen van Turkse afkomst is. En sturen ze geen "Ik ben woedend'-kaart maar helpen hun Duitse vrienden ter plekke met anti-racisme acties.''