Chailly: Mahler VII in briljante klankpracht

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Programma: G. Mahler: Zevende symfonie. Gehoord: 13/4 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 14, 15, 21/4. Radio-uitz.: 27/4 Avro Radio 4 (opname 15/4)

Steeds nadrukkelijker profileert Riccardo Chailly zich in zijn positie van chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest als erfgenaam van de Amsterdamse Mahlertraditie, die in 1903 begon met het eerste van een serie Amsterdamse optredens van de componist zelf. Chailly brengt nu in Amsterdam enkele keren de Zevende symfonie nadat hij daar eerder de symfonieën nrs. I en VI, Das Lied von der Erde en Das klagende Lied dirigeerde. De resultaten waren - naar historische maatstaven - aanvankelijk wisselend, maar lijken zich nu in een zekere opwaartse richting te bewegen. De Kerstmatinee-uitvoering in 1992 van Das klagende Lied was zelfs vrijwel ideaal te noemen.

Volgend jaar mei zal Chailly tijdens het tweede Amsterdamse Mahlerfeest vier Mahlerconcerten geven met zijn orkest: Des Knaben Wunderhorn en Das Klagende Lied, de Lieder eines fahrenden Gesellen en de Eerste symfonie en twee uitvoeringen van de Achtste symfonie.

In een interview in deze krant eiste Chailly vorig jaar het recht op zijn eigen opvattingen over Mahler in Amsterdam te mogen etaleren, zonder meteen het verwijt te krijgen dat die anders zijn dan 'typisch Amsterdams' en dus niet deugen. Chailly's lezing van de Zevende symfonie is er zeker een die zijn individuele opvattingen en persoonlijke dirigeerkwaliteiten voortreffelijk weergeeft. De briljant gespeelde uitvoering is een markante en memorabele gebeurtenis.

De Zevende symfonie in de versie-Chailly heeft als basis een imponerende uitstalling van orkestrale klankpracht. Wie ooit mocht hebben gemeend dat de unieke klank van het Concertgebouworkest onder de Italiaan Chailly teloor zou gaan wordt hier weersproken. Chailly laat zijn orkest excelleren in een breed geschakeerd spectrum van geraffineerd aangebrachte kleuren, waarbij elk van de vijf delen steeds een geheel eigen sfeer kreeg. De telkens opvallend langzame tempi - soms uitmondend in verstilde stilstand - en de perfecte balans lieten de orkestleden alle ruimte om die wellustig, zwoel en wuft te laten opbloeien.

Een absoluut hoogtepunt daarin was wel de tweede 'Nachtmusik': het andante amoroso met een over-romantische solo van Jaap van Zweden en een klankbeeld in de violistensectie die sterk herinnerde aan passages in de historische Mengelberg-opname (1940) van het derde deel uit de Vierde symfonie. Zo baseert Chailly zich ook wel degelijk op de Amsterdamse Mahler-traditie.

Buitengewoon opwindend vond ik die passages in het eerste deel waarbij Chailly tegelijkertijd een crescendo en een ritardando (vertraging) realiseerde. Maar ook de elegische, contemplatieve en wrange kanten van Mahlers noten kregen aandacht, net als de buitenaardse en 'eeuwige' aspecten van deze muziek. Die verklankt een compleet universum: van verre aardse koebellen tot de verste verten van het heelal en dan weer terug naar het humoreske: het slot van het Scherzo, terwijl in de spetterende finale Turkse bombarie hoogtij viert.