Broeikaseffect (3)

Staat het broeikaseffect wetenschappelijk steeds wankeler? Naar de mening van het KNMI is dit zeker niet het geval.

Het directe effect van de versterkte stralingsforcering, die het gevolg is van de toegenomen hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer, is eenvoudig vast te stellen. Op termijn zal namelijk de wereldwijd gemiddelde temperatuur toenemen. Hierover bestaat in de wetenschap brede consensus. Er blijven echter nog veel onzekerheden met name over de timing, grootte en regionale variatie van de klimaatverandering ten gevolge van het versterkte broeikaseffect. Behalve over de temperatuurverdeling op aarde hebben we het dan bijvoorbeeld ook over de atmosferische en oceaancirculatie, de neerslag, de wind en de bewolking. Het is juist die onzekerheid over de regionale klimaatverandering die beleidsmakers terecht zorgen baart. We weten dat ons een klimaatverandering te wachten staat; we weten niet wat dat voor een gebied als West-Europa zal betekenen. De onzekerheid verhoogt sterk het risico van onze menselijke beïnvloeding van het klimaat, hetgeen het belang van mede door de overheid geïnitieerd klimaatonderzoek vergroot.

In de klimaatrapportage van maart 1993 stelt het KNMI dat de recente relatief warme jaren in Nederland passen in het beeld van een temperatuurstijging door het versterkte broeikaseffect maar eveneens het gevolg kunnen zijn van een (tijdelijke) klimaatschommeling met natuurlijke oorzaken. Hoe die waargenomen temperatuurstijging tot stand komt doet er dan minder toe. Ook de afwijkende atmosferische circulatiepatronen, waaraan de ongewone temperaturen in Nederland in belangrijke mate kunnen worden toegeschreven, duiden mogelijk op een regionale klimaatverandering ten gevolge van het versterkte broeikaseffect of hebben een natuurlijke oorzaak.

In het onderschrift bij de figuur, die de kooldioxydeconcentratie van 1985 tot 1994 weergeeft, wordt gezegd dat de getrokken gladde lijn in die figuur door het KNMI is uitgerekend. Dat is niet het geval. Die lijn stond al in de oorspronkelijke figuur die wij van het meetstation Tenerife ontvingen. Hoe de lijn tot stand gekomen is weten we niet. Ten onrechte wekt deze lijn de indruk dat de kooldioxydeconcentratie sinds eind '92 is afgenomen. Feit is wel, de figuur laat dat duidelijk zien, dat deze concentratie bijna is gestabiliseerd. Ondertussen gaat de uitstoot van kooldioxyde onverminderd door. Er is op dit moment dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de stabiliteit van de kooldioxydeconcentratie blijvend zal zijn.

Zoals de IPCC-rapportage van 1990 al nadrukkelijk stelt, kan klimaatonderzoek onzekerheden reduceren maar zijn door de complexiteit van het klimaatsysteem verrassingen niet uitgesloten. Het artikel van Karel Knip laat zien dat de eerste voortekenen hiervan zich mogelijk nu aandienen. De recente onderzoekresultaten die hij beschrijft kunnen erop wijzen dat we na een periode van relatieve stabiliteit in het klimaat, te maken krijgen met toenemende fluctuaties, zoals tijdens de warme periode vóór de laatste ijstijd, het Eemien. Als dit het geval zou zijn dan brengt dat het broeikaseffect niet wetenschappelijk aan het wankelen. In tegendeel: onze snel toenemende kennis van het klimaatysteem, met name van de rol van de oceanen, laat zien hoe in principe de door de mens veroorzaakte versterking van het broeikaseffect kan leiden tot een zeer onstabiel klimaat dat grote risico's voor de mens en de natuur met zich meebrengt. Verder draaien aan de knoppen van een klimaatsysteem met bovengenoemde kenmerken is eens te meer een onaantrekkelijk en ongewenst perspectief.