Broeikaseffect (2)

In het artikel van Karel Knip van 31 maart over het broeikaseffect en de nieuwe ijstijd wordt de lezer reeds in de eerste paar zinnen een paar opzienbarende conclusies voorgeschoteld: het broeikaseffect zou "wetenschappelijk steeds wankeler' staan. Ook zou de verwachting van het aanstaande bewijs van de menselijke invloed op het klimaat "de bodem zijn ingeslagen'. Hebben de beleidsmakers, die volgens Knip zo sterk de aandacht vestigen op het broeikaseffect, het mis?

Integendeel. Het broeikaseffect staat niet steeds wankeler. Over het (versterkte) broeikaseffect, namelijk dat hogere concentraties van broeikasgassen zullen leiden tot een opwarming van de aardse atmosfeer, zijn de wetenschappers, verenigd in het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change, het VN-orgaan voor onderzoek naar klimaatverandering) het wereldwijd eens.

Wat de bewijsvoering betreft: de broeikas-modelberekeningen over de temperatuurstijging van de laatste 100 jaar en de gemeten waarden komen steeds dichter bij elkaar te liggen. Wetenschappers (o.a. die van het Max Planck instituut) verwachten zeker niet dat er nog tientallen jaren nodig zijn om het bewijs voor klimaatverandering te leveren, zoals het artikel stelt.

Door de kop en opening creëert het (overigens inhoudelijk uitstekende) artikel een eenzijdig en speculatief beeld, waarmee de lezer op het verkeerde been wordt gezet. Daarom wordt hier toegelicht waarom de beleidsmakers toch blijvende aandacht voor het broeikaseffect vragen.

We kennen het effect van toenemende broeikasgasconcentraties over de gehele aarde op lange termijn (50-100 jaar): een stijging van de gemiddelde temperatuur. Dit blijkt onomstotelijk uit de rapportages van de IPCC. Over de precieze effecten in termen van temperatuurverdeling over de aarde, neerslag, droogte en stormen lopen de voorspellingen nog uiteen. Op regionale schaal zijn die voorspellingen nog erg onbetrouwbaar. De modellen houden bovendien tot dusver geen rekening met veranderingen in de oceaanstromingen, die in bepaalde gebieden grote gevolgen zou kunnen hebben.

Het artikel van Knip bespreekt die laatste mogelijkheid. Het beeld van de nieuwe ijstijd wordt echter breeduit opgevoerd, terwijl de kans op het stilvallen van "de grote pomp' ten gevolge van het broeikaseffect in de wetenschappelijke wereld klein wordt geacht. Bovendien wordt die kleine kans slechts door een enkele wetenschapper gesignaleerd; er is binnen de IPCC geen draagvlak voor.

De eerlijkheid gebied ons echter te erkennen: we weten niet precies wat de toekomst ons brengt, en waar wanneer welke klimaateffecten zullen gaan optreden. Hoe kijken we dan aan tegen deze onzekere toestand vanuit het Nederlandse klimaatbeleid?

Het probleem bij de interpretatie van klimaatgegevens is dat korte-termijn effecten op lokale schaal vaak meteen ten onrechte worden aangezien voor lange termijn-effecten op wereldschaal. Maar een geringere stijging van de CO-concentratie in de laatste twee jaar is geen bewijs van stabilisatie. Een paar droge zomers in de VS zijn geen bewijs voor het broeikaseffect. Een paar elfstedentochten in Nederland achter elkaar is geen bewijs van het tegendeel, en al helemaal niet een enkele theorie van een enkele wetenschapper. Het reageren op deze korte termijn-"ruis' kan leiden tot het doen of juist het nalaten van maatregelen, kan dus tot beslissingen leiden die na korte tijd weer ongedaan zouden moeten worden gemaakt.

Het lijkt dus verleidelijk om dan maar te wachten tot er absolute zekerheid is.Maar niets doen betekent dat, tegen de tijd dat alle effecten duidelijk zijn geworden, het te laat is om de schadelijke effecten te keren. Dus dat kan ook niet.

Omgaan met dit dilemma betekent leren omgaan met risico's. Dat is ook het uitgangspunt voor het overheidsbeleid: anticiperen op wat zou kunnen gebeuren. Dit levert twee invalshoeken voor het voeren van beleid. De eerste invalshoek is minder CO, methaan, lachgas en andere verstorende gassen in de atmosfeer blazen. De tweede invalshoek is het voorbereiden van maatregelen die gevolgen (overstromingen, droogtes) moeten tegengaan.

Maar vooral is het nodig dat het inzicht in het klimaatsysteem, de invloeden van de biosfeer, oceanen, en landsystemen, en het optreden van extreme weersgesteldheden wordt verbeterd - met name om de korte-termijn gevolgen van het broeikaseffect op regionale schaal beter te leren begrijpen. Dat is ook zeker de les die uit het artikel van Karel Knip kan worden geleerd.

    • Dr. L.A. Meyer
    • Ministerie Vrom
    • Afd. Klimaatverandering