Zul je me niet vergeten?

De ogen van de jonge, wat vadsige Birmese man staan op communicatie. Terwijl ik puri zit te eten aan een grote ronde tafel van het Indiase restaurant Bharat, in Rangoon, schuift hij behoedzaam aan. Zijn gesproken Engels is zo allerbelabberdst, dat er alleen na zeer diep nadenken chocola van valt te maken. Hij weet de woorden wel begrijpelijk op te schrijven en zo ontstaat een gesprek via het notitieblok.

Hij wil mijn vriend worden, hij was nooit eerder met een buitenlander bevriend, vandaar. “Ik ben een Shan”, zegt/ schrijft hij vol trots, “uit de Shan-staat in het noorden. Naam: Michael. Leeftijd: 21.” Hij noteert zijn adres en zegt dat ik naar Lashio moet komen, zijn woonplaats, 1.000 kilometer noordelijker. Voor ik er erg in heb heeft hij aan het eind van de tafelsessie alle eten en drinken betaald, ook de twee blikjes cola die ik twee meeglurende schooiertjes had gegeven (en die ze even later weer doorverkopen).

De mens is van nature achterdochtig - vaak terecht, achter ogenschijnlijke aardige bedoelingen komen niet zelden minder goede vandaan, overal ter wereld. Wil Michael mij iets verkopen, is hij een van de vele gidsen die zich op alternatieve wijze opdringen, of erger: een ordinaire straatrover? Hij ziet er niet uit als een boef - voor zover men die aan hun fysionomie kan herkennen - ik vertrouw die grote bruine ogen en bolle wangen wel en besluit het goede in de mens ditmaal het voordeel van de twijfel te gunnen.

Of we voor morgen iets kunnen afspreken, wil Michael weten, ontbijt bij voorbeeld? “Ok, half negen.”

Keurig haalt Michael me de volgende ochtend af bij het Strand Hotel, in gezelschap van een vriend en een taxichauffeur. We rijden naar een Birmees restaurant voor een bord morgennoedels. “Je bent heel mooi”, zegt hij tijdens het ontbijt, “zo natuurlijk.” Zodra ik mijn portemonnee wil trekken, heeft Michael zijn kyats al in de aanslag om de rekening te voldoen. Voor 's middags wil hij een nieuwe ontmoeting. “Alweer?” Ja, hij heeft cadeaus voor me uit Shan-state. Dat kan ik moeilijk weigeren.

Die middag. Achterin de taxi begint Michael zelf zijn cadeautjes voor me uit te pakken. Eerst tien pakjes Chinese thee, twee zakjes wiersoep, een dikke bundel gefermenteerde soja-pannekoekjes, vier forse zakken met rijstnoedels, een toeristisch 'kunstwerk' met een ingegraveerde afbeelding van de Shwedagon-pagode van Rangoon. Vervolgens de garderobe-afdeling: hij overhandigt een originele longyi (het gewaad dat vrijwel alle mannen in Birma dagelijks dragen), een jasje en een compleet pak. “Allemaal echte Shan-kwaliteit”, glundert Michael. Ten slotte haalt hij nog een cursus Engels voor Birmezen te voorschijn, bestaande uit boeken en cassettebandjes. Zo kan ik zijn taal leren, zei hij, niet beseffende dat in de boekjes geen uitspraak staat aangegeven voor het Birmese schrift.

“Waarom doe je dit allemaal”, vraag ik “en waar betaal je het van” - voor Birmese begrippen is hij steenrijk. “Vriendschap”, is zijn eenvoudige antwoord. Hij schrijft op dat hij handelt in waspoeder en garnalen, een ongelukkige combinatie, lijkt mij, maar de zaken staan er klaarblijkelijk goed voor.

Als de cadeautjes zijn uitgepakt wil Michael drinken op onze vriendschap. Het woord champagne valt. In het etablissement waar we neerstrijken is dat drankje niet voorhanden, zodat we genoegen moeten nemen met Heineken-bier. Michael zelf houdt het op frisdrank. Ik zal die avond met de trein naar het noordelijke Mandalay vertrekken; Michael zegt dat ik eerst weer moet eten. Op naar de volgende uitspanning voor een copieuze maaltijd.

Hij zet me na het avondmaal op de trein, met de volgende afspraak op zak, voor als ik over twee dagen terugkom. “Heb je genoeg geld bij je”, vraagt hij nog en is pas gerust als hij het bedrag van 8.000 kyats heeft gehoord.

Oef, even twee dagen vrij van Michael.

Na terugkeer, met de nachttrein uit Mandalay, moet ik onverbiddelijk weer aan zijn vriendschap geloven. Hij vangt me - onafgesproken - op voor het ontbijt. En 's avonds - mijn laatste avond in Rangoon - heeft hij een diner geregeld, in het feeërieke Bamboo Restaurant. Om hem een plezier te doen heb ik de longyi aangetrokken, tot groot vermaak van de Birmezen. Ditmaal zijn behalve de chauffeur en de vriend die hem steeds vergezelt, twee studenten meegekomen, en allemaal meeëten op Michaels kosten. Hij heeft nog maar eens een cadeautje meegebracht: een kitsch-harpje in een doosje.

Nu heb ik ook een geschenk voor hem: een paar kleine Hollandse kitschklompjes, beschilderd met molentjes (altijd handig om mee te nemen voor dit soort situaties). Wat dat is, een molen, wil het gezelschap weten en men is met niet minder tevreden dan een volledige technische tekst en uitleg van het verschijnsel windmolen.

Een laatste afscheidsdrank in Nilar Wins Yoghurt-shop. “Zul je me niet vergeten”, vraagt Michael. “Nee hoor, dat beloof ik.”

“Morgen ga ik met de trein naar Lashio”, zegt hij, “jij bent toch weg.” Hij geeft een kleverig handje.

    • Lolke van der Heide