S. PATIJN; De onkreukbare

Toen Schelto Patijn (57) onlangs werd gevraagd naar de burgemeestersvacature in Amsterdam reageerde hij met de hem kenmerkende bescheidenheid. Zijn naam werd genoemd nadat de PvdA in Amsterdam de grootste partij was gebleven, maar hij was nog niet gevraagd. “Het lijkt me ongelooflijk zwaar, zwaarder dan mijn huidige functie, al was het alleen al door de volstrekte inbreuk op het privé-leven”, zei hij tegen het weekblad Elsevier. Patijn is in de PvdA een invloedrijk bestuurder op de achtergrond geweest; onkreukbaar en vertrouwenwekkend. Bij strubbelingen tussen de linker- en rechtervleugel wist hij een brug te slaan. Toen de PvdA nieuwe kandidaten moest zoeken voor de Kamerlijst was hij voorzitter van de selectiecommissie. Patijn kreeg de 'vernieuwingslijst' in december door het PvdA-congres. Hij heeft een innemende stijl, zijn gezag is in alle geledingen van de partij groot.

Patijns keuze voor de sociaal-democraten leek aanvankelijk niet voor de hand te liggen. Hij komt uit een geslacht dat regenten voortbracht: commissaris van de Koningin, burgemeester van Den Haag, thesaurier-generaal op het departement van buitenlandse zaken. In 1984 werd Patijn zélf commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, een functie die zijn overgrootvader van 1900 tot 1911 ook al bekleedde. Zijn vader was hoge ambtenaar op buitenlandse zaken toen J. Burger hem in 1956 vroeg Tweede-Kamerlid voor de PvdA te worden. “De politiek leefde heel sterk bij ons thuis, er kwamen boeiende mensen over de vloer. Als Luns op bezoek was, ging ik met de zoutjes rond”, zei Patijn tien jaar geleden.

Hij werd in 1962 PvdA-lid. “Het doel is niet gelijkheid scheppen maar gelijke kansen geven”, zei Patijn over zijn drijfveren. Hij werkte bij buitenlandse zaken, werd wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Leiden en kwam in 1973 voor de PvdA in de Tweede Kamer. Een politiek bewogen tijd waarin het kabinet-Den Uyl zich inzette voor “maatschappelijke vernieuwing”. Vlak voor hij in de Kamer kwam, maakte hij nog zijn proefschrift af over de bevoegdheden van het Europees Parlement.

Patijn werd de gentleman van de PvdA-fractie bij wie veel Kamerleden te rade gingen. Hij stond boven de opgewondenheid van alledag. Patijn bewonderde Den Uyl maar keerde zich tegen de methoden van Nieuw Links, een links-radicale factie in de PvdA, die 'oudgedienden' zonder pardon aan de kant zette. “Wat me uit die tijd sterk is bijgebleven is de volstrekte vijandigheid in de persoonlijke sfeer. Mensen als Jan Berger werden op partijraden afgeblaft door Jan Nagel en zijn vrienden”, zei Patijn. Zijn vader was in 1967 uitgerangeerd door Nieuw Links omdat hij 'te rechts' was.

Naast het Kamerlidmaatschap was Patijn vanaf 1973 tevens lid van het Europees Parlement, tot de rechtstreekse verkiezing van deze instelling in 1979. Op die manier vervulde hij jarenlang het dubbelmandaat; deze constructie wilde hij in de PvdA-kandidatenlijst bij de komende verkiezingen weer invoeren. H. d'Ancona zou het dubbelmandaat uitvoeren, maar het partijcongres verwierp het. Europees denken is tevens een traditie in de familie Patijn.

Vader Patijn vervulde ook de functie van vice-president van de Raad van Europa. Maar de PvdA-standpunten over buitenlands beleid brachten Schelto Patijn ook wel eens in moeilijkheden. In de jaren tachtig werd het 'nee' tegen de plaatsing van de kruisraketten een meetlat voor politieke loyaliteit. Dankert en Patijn vonden het standpunt wat te hardnekkig. “In mijn partij bestaan tegenwoordig twee geboden: gij zult tegen plaatsing zijn en gij zult er niet meer over nadenken”, aldus Patijn.

In de PvdA bleef Patijn een integer politicus die weigerde mee te dansen op de modieuze eigentijdse ritmes. Begin jaren '80 deed zijn naam al de ronde als kandidaat voor het burgemeesterschap van Rotterdam, maar hij werd in 1984 Commissaris van de Koningin van Zuid-Holland. Patijn kreeg het predikaat 'betrouwbaar bestuurder'. Hij keerde zich tegen een tweedeling van de provincie Zuid-Holland door het instellen van een stadsprovincie Rotterdam. Hij kwam geregeld met de Rotterdamse burgemeester, zijn partijgenoot B. Peper, in aanvaring, maar de persoonlijke verhoudingen bleven goed. “Bram en ik hebben een goede relatie. Het probleem is toch te belangrijk om het over te laten aan het ongenoegen van twee heren.”