Raad van State stelt record toename van wetten in 1993 vast

DEN HAAG, 13 APRIL. Van soberheid bij het maken van wetten is in Nederland geen sprake meer. Dat zei de vice-president van de Raad van State, mr. W. Scholten, vanmorgen bij de presentatie van het jaarverslag over 1993.

Het aantal adviezen over wetgevingszaken dat de Raad kreeg voorgelegd is nog nooit zo hoog geweest als in 1993.

Vorig jaar werden 865 zaken voor advies naar de Raad van State gestuurd. In 1992 waren dat er nog 664. De toename van het aantal wetten in Nederland is voor een belangrijk deel te wijten aan de groeiende regelgeving van de Europese Unie. Desondanks noemt hij het jaar 1993 “althans wat wetgeving betreft het oogstjaar van het kabinet Lubbers-Kok”.

Scholten komt tot de conclusie dat deregulering “geen levend verschijnsel” meer is. “Het heeft naar mijn indruk ook geen hoge plaats meer op de politieke agenda.” Volgens de vice-president van de Raad blijkt dat nog het meest uit het wegvallen van de verplichting om in de toelichting bij wetsvoorstellen een beschouwing over de dereguleringsaspecten op te nemen. “Wellicht is het moment gekomen om over deregulering als beleidsdoelstelling voorlopig maar te zwijgen”, zegt Scholten.

Het aantal zaken dat de Raad van State wist af te handelen is fors gegroeid, vergeleken met de jaren voor 1993. Vorig jaar werd over 818 wetsvoorstellen een advies afgegeven; in 1992 waren dat er 667. Toch liep de achterstand door het grote aantal ingekomen zaken op. Scholten concludeert daarom dat de Raad dit jaar grote aandacht moet geven aan een vermindering van het aantal wetgevingszaken dat wacht op terugzending naar het Binnenhof.

Het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu was in 1993 met 142 wetsvoorstellen traditiegetrouw het meest actieve departement op dit gebied, gevolgd door Justitie: 127. Van de departementen van algemene zaken (11), defensie (24) en buitenlandse zaken (29) kreeg de Raad van State het minste werk aangeleverd.

De Raad maakt zich zorgen over het groeiende verschijnsel dat bewindslieden zich in convenanten met maatschappelijke organisaties vastleggen op de inhoud van een wetsvoorstel voordat dat voorstel is afgerond. Een voorbeeld daarvan is de privatisering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, waar met de ambtenarencentrales een convenant over werd gesloten. Ook kwam de minister van onderwijs vorig jaar “gezamenlijke richtinggevende uitspraken” met vertegenwoordigers van de onderwijsorganisaties overeen, nog voordat het betreffende wetsvoorstel over de bestuursvorm van het openbaar onderwijs en van samenwerkingsscholen in het parlement was behandeld.

Scholten waarschuwt de bewindslieden dat een dergelijke procedure hun minder bewegingsvrijheid geeft in het daaropvolgende overleg met de Tweede en de Eerste Kamer.

Onder alle omstandigheden, zegt Scholten, moet worden voorkomen “dat het zwaartepunt in de besluitvorming over wetgeving wordt verlegd van het grondwettelijk vastgelegd overleg tussen regering en Staten-Generaal naar een daaraan voorafgaand overleg tussen regering en maatschappelijke organisaties”.