Opwaaiende lendedoeken

Er was eens, in de jaren zestig, een kleine heilige. 's Avonds in haar bedje dacht zij aan de Lieve Heer. Het liefst stelde zij zich hem voor zoals zijn beeld op het kerkhof: in een wijde mantel, met lang haar en een puntig baardje, het hoofd genegen en de handen uitnodigend opgeheven. Zo mild, zo teder, zo moest Jezus zijn.

Maar de kleine heilige had een probleem. Zij wilde aldoor weten hoe het er onder Jezus' kleren uitzag, tussen zijn benen om precies te zijn. Zij kon er niks aan doen, die blasfemische gedachte bleef trekken als een magneet. Iedereen die wel eens heeft geprobeerd om ergens niet aan te denken weet hoe moeilijk dat is. Jezus' piemel, wat doet het er toe? dacht het meisje verstandig. Ga toch weg, rotidee, dacht zij boos. Lieve Heer wat moet ik doen? dacht zij vertwijfeld.

Heiligheid beklijft maar zelden, en alle verzoekingen slijten. Toen die kleine Sinte Antonia tien jaar later oog in oog stond met een poedelnaakte Christus - gekruisigd, van hout, en gemaakt door Michelangelo - was het getob van destijds al lang vervlogen, samen met de ongewisheid omtrent de mannelijke anatomie. Een vreemde crucifix bleef het wel, in een klein museum in Florence. Dat glimmende beige lijfje, de dijen zedig bijeen, en daarboven een kinderlijk klein geslachtsdeel. Het hoofd, met baard, klopte weer precies met het ideale Jezustype van het beeld op het kerkhof. Maar waarom zo bloot?

Denken aan Christus' naaktheid moet door alle eeuwen heen een krachtig wapen van de Duivel zijn geweest. Naaktheid en zonde gaan immers hand in hand, want mooi en bloot is begeerlijk, van het een komt het ander en hop! daar gaat het zieltje, verloren voor de Heer. De zaak wordt nog gecompliceerd door de liefde, de overgave, en de intensiteit alleen al van de vereiste gevoelens. Hoe veel nonnen en begijnen moeten niet met precies deze dingen geworsteld hebben, en hoe dubbelzinnig zijn hun ontboezemingen niet?

Een deel van het probleem is elegant opgelost door een Amerikaanse kunsthistoricus, Leo Steinberg. Hij schreef een boek over de genitaliën van Christus, waarbij hij wijselijk de meeste nadruk legde op schilderijen en beelden van het kindje Jezus op de arm van zijn moeder, of vlak bij haar in de buurt. Het is vaak verrassend onbedekt, en dat terwijl het buiten winter is en iedere moeder haar pasgeborene warm zou inpakken.

Volgens Steinberg is het omdat in de Renaissance het feit dat God via zijn Zoon mens werd, een echt, compleet, kwetsbaar mens, beschouwd werd als zijn belangrijkste prestatie na de Schepping (en geen gehoon achter in de klas dat het ook zo knap is van alle mensen om mens te worden; zo geloofde men dat toen). Wat bewijst die menswording nu beter dan dat Hij zelfs genitaliën bezat, die allerteerste, allerverleidbaarste onderdelen van de man? Wie geslachtloos is hoeft geen moeite te doen om kuis te blijven. Maar Jezus was niet geslachtloos. Wel was hij zonder zonde, en dat was weer een reden voor sommige kunstenaars om hem, ook als volwassen man, ongegeneerd naakt af te beelden. Hij hoefde zich immers niet te generen.

Door Steinbergs verhaal - even aannemelijk als tactvol verteld - kijk je ineens met andere ogen naar die wonderlijk blote kindjes Jezus. Maar ook naar alle kruisafnemingen en beweningen waar de aandacht gericht wordt op 's Heren schaamstreek, bijvoorbeeld door een hand of een verschikte lendedoek. Zelfs de in decoratieve krullen opwaaiende lendedoeken bij schilders als Rogier van der Weyden tovert Steinberg om tot dubbelzinnige symbolen, zonder dat je denkt: wat een gek.

Wie kan ooit gedacht hebben dat het toeval was, het argeloze gebaar van Jezus in de richting van een onuitsprekelijke plaats, of de tedere hand van zijn moeder op zijn lendenen of een dijbeen? Naturalisme was heus het streven niet. Als het om de spontaniteit ging hadden er ook kwijlende en trappende Jezuskindjes bestaan. Nee, het ging wel degelijk om dat ene, hevig menselijke onderdeel, en dat maakt het juist zo mooi. Zoals Paulus al schreef: alles is rein voor de reinen.

    • Ileen Montijn