'Onderzoek in de psychologie is conservatief'

UTRECHT, 13 APRIL. In psychologisch onderzoek aan de Nederlandse universiteiten heerst “een algemeen gevoel van conservatisme” en “een gebrek aan durf”.

Dit constateert een internationale beoordelingscommissie onder leiding van de Amsterdamse emeritus hoogleraar N. Frijda, die in opdracht van de Vereniging van Nederlandse universiteiten VSNU het psychologisch onderzoek aan tien faculteiten heeft beoordeeld. Psychologie is in Nederland een van de populairste studies, met zo'n tienduizend studenten.

In het algemeen noemt de commissie het Nederlandse psychologische onderzoek van 'voldoende kwaliteit'. Tweederde van de onderzoeksprogramma's wordt als goed tot excellent beoordeeld. De rest is matig of onbevredigend. Maar de commissie merkt op dat ondanks de sterke punten van het Nederlandse onderzoek (quantitatieve methodieken, cognitieve psychologie) er “niet al te veel is dat werkelijk buitengewoon is”. De produktiviteit is matig.

De gemiddelde kwaliteitsoordelen per universiteit laten zien dat de faculteit van bewegingswetenschappen van de Vrije Universiteit in Amsterdam het beste scoort. De Rijksuniversiteit Leiden is tweede en het overige psychologische onderzoek aan de VU staat derde. Het laagst scoren het onderzoek op de Katholieke Universiteit Tilburg en op de Universiteit Utrecht. De relatief slechte score van Tilburg wijt de commissie aan het 'disorganiserend effect' van de bezuinigingen in de jaren tachtig. De commissie schrijft in haar rapport verder dat het psychologisch onderzoek zich te sterk richt op gezondheidspsychologie en dat fundamenteel onderzoek lijdt onder onderzoek in opdracht van bedrijven en instellingen.

Prof.dr. P.M.G. Emmelkamp, tot voor kort hoofd van de vakgroep Psychologie in Groningen en verantwoordelijk voor het Groningse onderzoek (dat vrijwel precies gemiddeld scoort) deelt grotendeels de kritiek van de commissie: “een faire beoordeling”. Hij tekent wel aan dat in ieder land briljant onderzoek niet vaak voorkomt. Nederland doet het steeds beter. “Als je twintig jaar geleden het onderzoek had onderzocht zou je een veel negatiever oordeel hebben gekregen.” De grote nadruk op gezondheidspsychologie verklaart Emmelkamp uit de bezuinigingen op de klinische psychologie in de jaren tachtig. Veel faculteiten begonnen toen met gezondheidspsychologisch onderzoek. “Daar is veel collectebusgeld voor te vinden.” Hij deelt de zorg voor de grote rol van het derde-geldstroomonderzoek. “Het is moeilijk de verleiding te weerstaan.” Als voorbeeld noemt hij onderzoeksopdrachten van de farmacologische industrie. “Daar zit het grote geld. Maar dat soort onderzoeken worden verricht los van de therapeutisch alternatieven voor de medicijnen, terwijl die wel beter kunnen zijn.”