Huzarenstukje uit Australië verraadt inventief talent

Bad Boy Bubby. Regie: Rolf de Heer. Met: Nicholas Hope, Claire Benito, Ralph Cotterill, Carmel Johnson, Norman Kaye. In: Amsterdam, Cinecenter en Rialto; Rotterdam, 't Venster; Den Haag, Haags Filmhuis; Utrecht, 't Hoogt; Nijmegen, Cinemari-enburg.

Aan bijzondere en eigenwijze filmers ontbreekt het Australië de laatste tijd niet. Iedereen kent sinds An Angel at My Table en The Piano nu wel de naam van de in Sydney wonende Nieuwzeelandse Jane Campion, maar er zijn er meer die juist aan het brave, burgerlijke klimaat van Australië hun tegendraadse inspiratie ontlenen. Na Paul Cox doemt een tweede in Nederland geboren emigrant in het rijtje op. Rolf de Heer vertrok midden jaren zestig, toen hij acht was, naar 'Down Under' en regisseerde daar al vele opdrachtfilms, twee kinderfilms en een door de Nederlandse Filmdagen vertoonde musical met Miles Davis (Dingo). Weinig in die aanvankelijke carrière voorspelde het succes van Bad Boy Bubby, vorig jaar in Venetië bekroond met de Juryprijs en een zeer origineel, inventief filmtalent verradend huzarenstukje.

De vertolker van de titelrol, Nicholas Hope, verontschuldigde zich voorafgaand aan de vertoning van Bad Boy Bubby in het International Filmfestival Rotterdam een beetje voor de eerste twintig minuten, die nu eenmaal noodzakelijk zouden zijn voor de rest van de film. Dat getuigt van een merkwaardige koudwatervrees voor het ongeduld van het publiek, want juist het ascetisch vormgegeven begin van de film is subliem. Een man van een jaar of 35 woont met zijn bejaarde moeder (Claire Benito) in een kaal huis. Hij is nog nooit buiten geweest, omdat de moeder hem wijs heeft gemaakt dat je daar een gasmasker moet dragen, en daar is er maar een van. De uiteraard achterlijke Bubby wordt door zijn moeder in willekeurige volgorde geslagen, geknuffeld, met Jezus' toorn bedreigd en seksueel misbruikt. De jongen denkt dat het zo hoort en imiteert het gedrag van Mam tegenover Kat. Dan maakt onverwachts Pap zijn intree, een vloekende en zuipende geestelijke, die zijn rechten bij moeder en zoon komt opeisen. Bubby pakt beiden als ze slapen in cellofaan en gaat met de eveneens verstikte Kat in een koffer en het gasmasker op naar Buiten.

Dan verandert de film van toon en wordt een soort absurde komedie over een Kaspar Hauser, die alle signalen van Buiten op geheel eigen wijze interpreteert. Hij ontdekt een boom, een kind, een hond en vooral: de muziek. Gezegend met een buitengewoon groot vermogen tot imitatie blaft, scheldt en zingt Bubby zich een weg door Buiten. Hij wordt liefdevol opgenomen door een rockband, die hem verkleed als Pap, met een priesterboordje om, zijn imitaties ten beste laat geven op het podium. Het succes is enorm, net als dat van de naïeve tuinman die het tot president schopt in Kosinski's Being There. De formule van de tot genie gepromoveerde idioot is aanzienlijk minder origineel dan het geperverteerde Freudiaanse uitgangspunt van De Heers film. Desondanks slaat De Heer zich met flair door de opgave heen, mede door weer bijzonder onorthodoxe kunstgrepen. Het geluid van de film werd opgenomen met twee microfoontjes in Hopes pruik, zodat een vreemd subjectief auditief decor ontstaat. Om te benadrukken dat elke situatie voor Bubby vreemd en nieuw is, gebruikte De Heer voor elke scène een andere cameraman.

Nog belangrijker dan deze goed uitgevoerde vormgrapjes is de authentieke woede van de regisseur-scenarist jegens de hypocrisie die in zijn ogen de maatschappij kenmerkt. Zo'n hekel als De Heer aan bij voorbeeld religie heeft (Paul Cox' vaste acteur Norman Kaye mag na enig spel op het kerkorgel Bubby uitleggen dat het zijn plicht is om God te verzaken), zo overtuigend is de voorkeur die hij Bubby meegeeft voor vrouwen met grote borsten. Het thema gaat verder dan de toevallige overeenkomst met de fysionomie van Mam; de ouders van zijn nieuwe geliefde, een rondborstige verpleegster die Angel heet, beweren dat alle Dikke Vrouwen Vieze Sletten zijn. Immers, als God gewild had dat mensen dik zijn, dan had hij ze wel allemaal zo gemaakt.

Het moge duidelijk zijn dat de wereld volgens Rolf de Heer een merkwaardig universum vormt. Je wordt benieuwd naar zijn ouderlijk milieu en kunt je afvragen of er misschien enige verwantschap is met het gezin van Alex van Warmerdams Abel. Ook zonder de eventuele Hollandse invloed is Bad Boy Bubby een intrigerende, grote kleine film. Een nieuwe Campion zie ik nog niet in De Heer, maar dat er in Australië iets origineels en opstandigs broeit, dat lijdt geen twijfel.