Croissants

Bij kant-en-klare croissants was het me nooit opgevallen, maar laatst zag ik in de krant een fotootje van croissants voordat ze de oven ingingen, bleke hoopjes deeg op een bakplaat, allemaal van die hoge ruggetjes en ongelukkig naar voren gekromde armpjes, en toen vroeg ik me af wat me toch zo aansprak in dat fotootje en op een gegeven moment ging me een licht op: het waren net krabben.

Talloze krabben op een strand in de tropen, balancerend tussen de woestijn aan de ene en de oceaan aan de andere kant. Allemaal wenkend met die knoestige scharen die ze hebben: kom bij mij, ach kom bij mij.

's Nachts wenkten ze in je dromen en dan liep je op blote voeten en dan ging er een huivering door je slaap.

In werkelijkheid probeerden ze je blote voeten koste wat kost te mijden. Wat mensen waren konden ze nauwelijks weten. Ik denk dat ze reageerden op de dreun van stappen, een dreun die, als je alleen het trippelen van vogels kent, gigantisch moet zijn geweest. Bij de flauwste siddering van de aarde glipten ze weg in onwaarschijnlijk kleine holletjes - zulke holletjes maakte mijn grootvader in de grond om aardappels te poten.

Talloze krabben, allemaal weg. Dan moest je het geduld van een reiger hebben om ze weer te voorschijn te zien komen. Jochies met een pan op hun hoofd en een houten zwaardje in de hand. Of dieren die vreselijk gevangen zitten in zichzelf.