Zand door verf

De ontdekking dat de Delftse schilder Vermeer soms zand door zijn verf mengde (NRC Handelsblad, 2 april) was voor redacteur Paul Steenhuis aanleiding tot een overzicht van het gebruik van ongewone materialen bij het schilderen.

Hoewel hij niet spreekt van een continuïteit, verbindt hij de toepassing van zand door Vermeer met het gebruik van andere stoffen dan verf door de zogenoemde materieschilders in onze eeuw. Hierdoor kan ten onrechte de indruk ontstaan dat Vermeer grensverleggende activiteiten bedreef.

Vermeer voegde zand toe aan de verf om de illusie van de werkelijkheid te verhogen, om het natuurlijke kleuren- en lichtspel zo intensief mogelijk na te bootsen. Zand was voor hem een illusionistisch hulpmiddel. De 20ste-eeuwse materieschilders beoogden echter iets anders. Voor hem speelde de werkelijkheidsillusie geen enkele rol. De materie die zij voor hun beeldend werk gebruikten diende niet om de illusie van iets anders, bijvoorbeeld van een rivier met schepen, op te roepen, maar vertegenwoordigde haar eigen materiële eigenschap. Zand, ijzer, schelpen, hout, teer, marmer en nog een eindeloos arsenaal van andere stoffen figureerden in een door de kunstenaar geschapen constellatie als voorbeelden van de natuur in alle mogelijke vormen, betekenissen en associaties.

De erkenning van verf als expressieve materie, als kleur (en niet als kleurstòf), zonder illusionistische functie, kwam mede tot stand door de werkwijze van Van Gogh, die de verf zó uit de tube op het doek kneep. Tapiès sprak in onze tijd van de symboliek van het stof, van de as, waaruit wij zijn voortgekomen en tot welke wij zullen terugkeren.

Wat de Delftenaar Vermeer betreft zou een ander aspect van het gebruik van zand wellicht de aandacht verdienen: de mogelijke relatie tot de receptuur van het Delftse aardewerk.