Wayang-poppen tussen goed en kwaad

Voorstelling: Wayang Kulit Schimmenspel uit Bali door poppenspeler I Wayan Wija, orkestleider I Nyoman Sudarna en Gamelangroep Irama. Gezien: 9/4 Soeterijn Amsterdam. Herhalingen: 13/4 Korzo Den Haag; 15/4 Virque Divers Luik; 19/4 Cultureel Centrum Berchem; 22/4 De Evenaar Rotterdam; 24/4 Rasa Utrecht; 26/4 Theater Romein Leeuwarden.

Half negen. In de bomvolle zaal is het stil en donker. Geen muziek, niemand komt op. Het geluid van een aansteker. Door het dunne scherm wordt een kleine vlam zichtbaar die langzaam aanzwelt tot een flinke fakkel: de wayanglamp, die zinderende, altijd bewegende schaduwen op het scherm zal werpen.

Het orkest begint te spelen: licht van klank, welgemoed van sfeer. Het is een klein orkestje van metallofonen, trommen, cymbaaltjes en kleine gongs. De aanloop tot het poppenspel is traag. Er worden twee muziekstukken gespeeld, slechts af en toe is er iets te zien op het scherm, een boom die wordt neergezet, en wat later nog een. Vanuit de zaal, waar het publiek stil en nog wat onwennig wacht op de dingen die komen gaan, kun je niet zien dat de dhalang (poppenspeler) achter het scherm hard aan het werk is. Hij heeft het speelvlak besprenkeld met heilig water, stilletjes gebeden en mantra's uitgesproken, de wayangkist geopend en de poppen klaargelegd. Weer stopt de muziek en is het stil.

Bijna negen uur. Een nieuw muziekstuk. De 'kekayon', de levensboom, wordt nu trillend en kronkelend over het scherm bewogen. Zo dun en soepel is het leer dat hij steeds transformerende schaduwen geeft, inkrimpend en uitrekkend als in een lachspiegel. De hoofdfiguren van het spel worden even getoond. En dan, alsof er een startschot is gegeven, barst de aktie los. De stem van de dhalang knalt erin met een krachtig gezang. Een fascinerend schimmenspel vangt aan met één figuur: koning Rama. Al spoedig volgen Rama's bedienden Tualen en Merdah, die in het Engels (op Bali in het Balinees) de archaïsche tekst parafraseren.

Vader Tualen is de materialist, die het voortdurend over eten en over zaken heeft (wat doen we in dit bos, ik heb honger, ik snak naar een hamburger!), zoon Merdah pleit voor de traditionele, spirituele waarden (niet de ander is je vijand, maar de jaloezie en de boosheid in je eigen hart). Zijn dialogen en filosofische bespiegelingen vormen in Bali het hoofdbestanddeel van de voorstelling, voor het westerse publiek laat Wija het hierbij: in de rest van het spel schittert hij met fabelachtig poppenspel en humoristische teksten.

Een reeks zelf ontworpen dierfiguren passeert de revue, elk onderdeel is een stukje puntgaaf en razend knap poppenspel, zoals een kwakend kikkerkoor, of verliefde hazen. Tualen en Merdah duiken steeds weer in het verhaal op om het gebeurde te bespreken en de lijn van het verhaal vast te houden, zij worden de vrienden van het publiek. De confrontatie tussen goed en kwaad mondt uit in een flitsend gevecht, waarbij een van de reuzen zijn hoofd verliest. Als het kwaad is overwonnen is het spel uit, even plotseling als het begon.

Van onwennigheid bij het publiek is geen spoor meer. Degenen die zich inmiddels op het podium om de spelers hebben geschaard zien hoe I Wayan Wija na het applaus de poppen opruimt, de wayangkist sluit en opnieuw in opperste concentratie en met prachtige bezwerende gebaren het speelvlak besprenkelt en gebeden uitspreekt. Kwart voor elf, weer is het stil in de zaal.

    • Elsje Plantema