'Wat hebben wij, geestelijken, al die jaren bereikt in Rwanda?'

KIGALI, 12 APRIL. Grote bloedvlekken drogen op in de zon op het plaveisel van de rooms-katholieke kerk van Gikondo. Binnen nog meer bloed en de stank van dood. Boven het altaar hangt een groot spandoek met het woord Amahoro, Rwandees voor vrede. Hulpverleners van het Internationale Rode Kruis rapen tussen de rijen een jongeman op, wiens schedel door de slagen van een machete opengekliefd is.

Vierentwintig uur wacht hij al op hulp, net als degene die zich met andere vluchtelingen had gebarricadeerd in een vertrek in de kelder. Omdat ze daar niet binnen konden, gooiden de aanvallers een granaat door het kelderraam naar binnen. Isidore, de enige overlevende, zit te wachten, omringd door drie lijken.

Ze waren met honderd man, voor het merendeel Tutsi's, die hun toevlucht hadden gezocht bij de missiepost van de wijk Gikondo. Zaterdag, bij het einde van de mis, was een menigte gewapende militieleden de post binnengedrongen en was het bloedbad begonnen. Het had twee uur geduurd. Pater Stanislas kan er geen woorden voor vinden. Hij laat de armen hangen. Hij begrijpt niet hoe de mensen uit deze wijk, zijn eigen parochianen, een dergelijk bloedbad konden aanrichten: “Wat hebben wij, geestelijken, bereikt in al die jaren?”, mompelt hij in een moment van moedeloosheid. De medewerkers van de missiepost hebben zeventig lichamen begraven en het Internationale Rode Kruis is een dertigtal gewonden komen weghalen, van wie enige die gruwelijk verminkt zijn het er niet levend zullen afbrengen.

De zes vrachtwagens van het Rode Kruis rijden nu al drie dagen door de stad om de gewonden op te halen die op straat of voor hun huis liggen te zieltogen. “Ik heb geen zes, maar honderd voertuigen nodig om alle slachtoffers van het bloedbad op te halen”, zegt Philippe Gaillard, hoofd van het Rode Kruis in Kigali, “en dan heb ik het alleen nog maar over de overlevenden.” Het ministerie van transport is belast met het ophalen van de doden. Hun aantal beloopt alleen al in de hoofdstad, volgens schattingen van het Rode Kruis, meer dan tienduizend. Men gebruikt vrachtwagens en grijpers. Gevangenen moeten de lichamen begraven in massagraven.

Het selecteren van de gewonden heeft plaats bij het consultatiebureau van Artsen zonder Grenzen dat inderhaast is geïnstalleerd in tenten voor het centrale ziekenhuis van Kigali. Ernstige gevallen worden doorgestuurd naar de eerste hulp door een tiental Rwandese en buitenlandse artsen. Mannen, vrouwen, kinderen, bejaarden met verwilderde blikken, nog doof door de verschrikkingen. Het lager gelegen mortuarium van het ziekenhuis is meer dan vol. Op de binnenplaats liggen de lijken meer dan een meter hoog opgestapeld, deels onder doeken, deels bedekt met vliegen. Bij het ziekenhuis, dat door militairen wordt bewaakt, kun je je maar beter niet als journalist bekendmaken. Het is gevaarlijk aantekeningen te maken, laat staan dat je foto's kunt nemen.

De straten in het centrum van de stad zijn geheel verlaten. Er bevinden zich alleen militieleden die versperringen hebben opgericht. Ze zijn tot de tanden gewapend met machetes, knuppels, pijlen en bogen, bijlen. Sommigen zwaaien trots met een granaat. Aan het eind van de middag, als het bier zijn werk begint te doen, worden ze onvoorspelbaar. Of de barricades nu bemand zijn door burgers of door militairen, men moet zijn paspoort laten zien om te bewijzen dat men geen Belg is. “We houden wel van jullie Fransen”, zegt een soldaat met een brede glimlach, “maar de Belgen...”

Pag.4: Na de moorden de plunderingen

Een tiental journalisten dat vanuit Brussel in Butare in het zuiden van het land is gearriveerd, is op zijn schreden teruggekeerd. In dit deel van Kigali dat gecontroleerd wordt door de presidentiële garde worden Belgen beschouwd als medestanders van de rebellen van het Rwandese Patriottische Front (RPF).

Na de moordpartijen zijn de plunderingen gekomen. Jongeren verspreiden zich door de stad terwijl hun buit steeds groter wordt. Het is druk in de buurt van opslagplaatsen: die van het Rode Kruis en van het Wereldvoedselprogramma zijn leeggehaald. Geschut klinkt nog altijd uit de richting van het voormalige parlementsgebouw waar de strijders van het RPF zich verzetten. Ze hebben zich daar in december vorig jaar geïnstalleerd, in afwachting van een nationale verzoening. De gevechten zijn in hevigheid afgenomen na vorige week donderdag, toen het RPF een vergeefse poging deed uit te breken. Van tijd tot tijd klinken de kanonnen op, dan weer valt er een angstige stilte over de stad. De alles beheersende vraag is of de versterkingen van het RPF (het hoofdkwartier van de opstandige Tutsi's bevindt zich bij de grens met Oeganda), er al dan niet in zullen slagen om een verbinding tot stand te brengen met het contingent dat zich in Kigali bevindt.

Hôtel Méridien bevindt zich op tweehonderd meter van de frontlijn, althans van de frontlijn in de hoofdstad, want volgens de regering wordt ook op drie plaatsen in het noorden van het land gevochten. De lounge van het hotel zit stampvol soldaten van de Missie van de Verenigde Naties voor Bijstand aan Rwanda (UNAMIR) en met gezinnen van buitenlanders die op evacuatie wachten. Een receptionist ontvangt via de radio de oproepen van buitenlanders die in andere delen van de stad wonen en die al vier dagen binnenshuis moeten blijven. De 'blauwhelmen' gaan vier keer per dag op pad om buitenlanders op te halen. Ongeveer vijfhonderd buitenlanders hebben hun toevlucht gezocht in het Méridien. Tegen de gevel van het hotel is af en toe de inslag van een verdwaalde kogel te horen.

In de wijk waar de ministeries zich bevinden heeft zich een konvooi van tweehonderd auto's verzameld. Daarin zitten in totaal zo'n duizend buitenlanders van allerlei nationaliteiten die over de weg naar Burundi willen vluchten. Door de gevechten is het erg moeilijk om bij het hoofdkwartier van UNAMIR te komen. De commandant van de VN-strijdkrachten, de Canadees Roméo Dallaire, probeert daar te bemiddelen tussen het RPF en de regering, maar de onderhandelingen over een staakt-het-vuren stagneren.

In het Hôtel des Diplomates, het hoofdkwartier van de regering die in de nacht van zaterdag op zondag werd gevormd, gaat men ervan uit dat er geen alternatief is voor deze regering, ook al werd ze zaterdag door het RPF afgewezen. Premier Jean Kambanda onderstreept dat “deze regering niet langer aan de macht zal zijn dan zes weken, als alle partijen hun goede wil tonen en de akkoorden van Arusha uitvoeren”. Volgens deze akkoorden zou er een overgangsperiode van twee jaar zijn, waarin een overgangsregering aan de macht zou zijn bestaande uit alle politieke partijen (inclusief het RPF) in afwachting van de installatie van een democratisch gekozen regering. De oppositiepartijen die het RPF gunstig gezind zijn hebben geen enkele portefeuille in de nieuwe regering. En een groot deel van hun leiders is dood, zoals de voormalige premier Agathe Uwilingiyimana, of waarschijnlijk dood, zoals Landouald Ndasingwa, die aan het hoofd stond van de Liberale Partij.

Kambanda bevestigt dat hij het leger controleert, waarvan “alleen enkele ongedisciplineerde elementen zich aan plunderingen en bloedbaden hebben overgegeven”, en hij verzekert dat sinds zondag militaire patrouilles de orde aan het herstellen zijn. Maar het nieuws over het oprukken van het RPF maakt de soldaten nerveus. Zaterdagavond hebben soldaten zeven gewonden in het ziekenhuis vermoord.

Zondag hebben militairen een groep vluchtelingen bij het gebouw van Artsen Zonder Grenzen verwond. Ze dreigden 's nachts terug te komen om de gewonden te doden. Men vreest hier dat de laatste Tutsi's van de hoofdstad vermoord zijn voordat de troepen van het RPF Kigali hebben bereikt.

© NRC Handelsblad/Le Monde