'Verjaag natrappers voor het leven van de voetbalvelden'

De 'vader van alle sporten' en de 'sportman van de eeuw' werd hij genoemd. Vandaag is het veertig jaar geleden dat W. J. H. (Pim) Mulier op 89-jarige leeftijd in Den Haag overleed. Mulier introduceerde het voetbal in Nederland. Daarnaast was hij de geestelijke vader van de Elfsteden tocht en de wandelvierdaagse. Een interview, geconstrueerd aan de hand van authentieke gegevens.

'Een singulier heer' wordt hij in de salons genoemd als hij er niet bij is. W. J. H. Mulier, 'Pim' voor intimi, publicist, wereldreiziger, talenkenner, glasverzamelaar, tekenaar, fervent organisator en sportman kan terugblikken op een rijk, gevarieerd leven. Het Nederlandse sportleven zou er zonder hem anders uitzien. In zijn rijk gemeubileerde Haagse woning stond hij een vraaggesprek toe.

Wilt u nog één keer vertellen hoe u het voetbal in Nederland heeft geïntroduceerd?

“Het is mij al vaker gevraagd, maar vooruit: als kind heb ik in Noordwijk en Oostende voor het eerst een voetbal gezien, die toebehoorde aan Engelsen die ermee speelden. Dat wilde ik ook en als tienjarige besloot ik in Haarlem met mijn vrindjes een voetbalclub op te richten. Alleen: ik had geen leren bal. Totdat ik bij De Gruyter in de Leidschestraat in Amsterdam zo'n bal in de etalage zag, helgeel, met een oranje-geel leertje. Een paradijs aan een touwtje. Ik heb een brief geschreven naar de burgemeester of we een landje konden krijgen om te spelen en waar we nu eens niet weggejaagd zouden worden. Ik kreeg daarna een officiële brief: ik kon de Koekamp in onderhuur krijgen als 'worstelperk voor mij en mijn kornuitjes'.”

Speelde u volgens de spelregels zoals we die nu kennen?

“We speelden aanvankelijk helemaal geen voetbal, maar rugby. Bij de aankoop van de bal had ik een boekje met de spelregels daarvan meegekregen. Op sommige zondagen oefenden wel een honderd jongens in lopen, doeltrappen, bal aangeven. De vele pappa's en mamma's die rondom het hekje van de Koekamp kwamen kijken schudden nu en dan bedenkelijk het hoofd wanneer die rood-zwarte jongens elkander bij de lurven pakten. De kleren konden daarbij niet worden gespaard. De pappa's begrepen het niet, vijf, zes aan flarden gereten jersey's in een winter. Zo werd het rugby ten dode opgeschreven.”

In 1883 kwam uit het rugby het voetbal voort. Ging dat wat minder ruw?

“Nou, niet dat we ons als zachtzinnige heertjes gedroegen, integendeel. Maar echt gemeen spel, zoals we dat tegenwoordig zo dikwijls zien, bestond niet in onze dagen. Wanneer een tegenspeler in het bezit van de bal was, dan trokken we er in stormpas op af en dan, ja dan moest de man eraan geloven. U weet wel zo'n buiteling over de kop. Maar het werd allemaal lachend geaccepteerd en even later nam die man op zijn beurt revanche. Opzettelijk toegebrachte verwondingen kwamen bij ons nimmer voor. Het spel was er voor de vorming van het karakter.”

U heeft zich later juist erg ingezet tegen de verruwing van het voetbal.

“Zegt u dat wel, maar of het heeft geholpen? De zaak is: men straft te slap. Ik heb gemeend mijn stem vooral te doen horen tegen de misdadigheid van het ellendige natrappen. 'Jaag die weerzinwekkende ellendelingen voor hun hele verdere leven van onze velden af', heb ik eens geschreven. Vijf jaar geleden heb ik rigoureuze maatregelen aanbevolen tegen enkele gemene en gevaarlijke spelers. Ik wilde die buitengemeen streng vervolgen. Het is geketst. Maar ik ben er nog altijd van overtuigd dat bij recidive het voor lange tijd en facultatief zelfs voor het leven zonder genade uit onze voetbalwereld verbannen, het spel en onze bond ten goede zou komen. Die enkele onbeheersten en ruwe poenen verjagen de kinderen van onze upper 1.000 van onze velden, dat behoeft geen commissie voor mij uit te knobbelen. Zo is het.”

U heeft altijd uw lichaam fit willen houden.

“Dat is wel gelukt geloof ik. Nog niet zo lang geleden, toen ik 82 was, sprong ik nog op de fiets voor een tochtje van zestig kilometer. Daar deed ik dan zo'n twee uur over. Een jonge snuiter bleef toen aan mijn wiel hangen en dat verveelde me. Ik maakte me van hem los en heb toen maar meteen de spurt ingezet.”

U bent ook degene die de Elfstedentocht heeft ingesteld. U hebt lange marsen gemaakt, geskied met de Lappen, aan atletiek gedaan. Wat was terugkijkend uw zwaarste sportprestatie?

“Eenmaal heb ik de Elfstedentocht gereden in twaalf uur en 55 minuten, hetgeen nogal snel geweest moet zijn want het duurde 22 jaar alvorens Coen Koning mijn tijd verbeterde. Eens heb ik deze tocht echter gemaakt toen een paar dagen van tevoren de dooi was ingetreden. Ik mag gerust zeggen dat dit mijn zwaarste sportprestatie is geweest. Onder de bruggen zakte ik soms een halve meter weg in de brij, maar de eindstreep heb ik gehaald. Ik was toen bijna vijftig jaar.”

Ook met atletiek had u veel op.

“Ja, het was de prestatie die mij lokte. Het begon ermee dat ik als kind naast het koetsje waarin mijn vader reed mee opliep. Maandenlang heb ik er later voor getraind de afstand Haarlem-Amsterdam binnen het uur te lopen. Ten slotte ben ik daar in geslaagd. Op 10 september 1885 - een vriend ging in een tilbury mee om de snelheid op te nemen - liep ik de afstand van 16 kilometer in de tijd van 57 minuten en zo was ik ook op dat punt tevreden gesteld.”

U bent altijd blijven hardlopen?

“Ja, ik beschouwde het ook als het beste middel om in conditie te blijven voor het voetballen en de ijssport. Daarom ging ik er 's avonds meestal nog even tussen uit voor een loopje van 15 à 20 kilometer. Om niet op te vallen kleedde ik mij daarbij altijd in een zwart pak. Maar soms kreeg men mij toch in het vizier en opmerkingen als 'daar gaat die losgebroken gek weer' waren dan heel gewoon. Maar daar trok ik mij natuurlijk niets van aan.”

In de Haagse salons wordt u wel aangeduid als 'een singulier heer'. Wanneer u mij veroorlooft: er zijn mensen die u, met erkenning van uw grote verdiensten voor de sport, een beetje ijdel noemen. Een anoniem artikel waarin werd beschreven hoe bescheiden u juist bent en dat u er niet van houdt met uw prestaties te koop te lopen, was naar later bleek door uzelf geschreven.

“Ja, wat moet ik daarop antwoorden? Dat artikel moet u als een grapje zien. En bescheiden? Ik moet eerlijk zeggen: toen ik er als kind achter kwam dat de Engelsen ik met een hoofdletter schrijven, heb ik wel even moeten glimlachen.”

    • P. van der Eijk