Sigaret

Op een terras zit ik een krant te lezen. Er komt een vrouw langs die me een sigaret vraagt. Dat mag wel, ik houd haar het pakje voor en ze graait het uit mijn hand en beent snel weg. Nou, nou, wat een haast. Zo onnodig. Ik zou toch moeilijk achter haar aan kunnen rennen om mijn pakje weer te bevechten, ze zou wel wat rustiger kunnen wegwandelen. Geen reclame voor de sigarettenroker, deze dame. Gulzig, gehaast, zenuwachtig. Typisch het neurotische gedrag waar de sigarettenroker altijd op wordt aangekeken. Een pijproker zou het kalmer aanpakken. Waardig, zodat het op de televisiereclame zou kunnen komen. Bekende Pijproker, laten we zeggen Harry Mulisch, passeert het tafeltje, pakt de pijp die er ligt, klopt hem rustig uit, stopt hem zorgvuldig, neemt zelfs de tijd om de vorige eigenaar om een vuurtje te vragen en vervolgt met kalme doch besliste pas zijn weg, verzonken in zijn diepe gedachtenleven.

Terwijl ik mij verheug in het heerlijke contrast dat deze denkbeeldige Sterspot vormt met mijn neurotisch haastige dievegge, kijk ik stiekem links en rechts of iemand anders op het terras gemerkt heeft dat ik bestolen ben. Dat zou heel onprettig zijn. Het geweten is de innerlijke stem die je waarschuwt dat er iemand naar je kijkt, heb ik eens gelezen. Als iemand het voorval gezien had, zou mijn geweten me dwingen een soort symbolische actie te ondernemen, om te laten merken dat ik niet een doetje ben dat zomaar bestolen kan worden. Opstaan misschien zelfs, of gebaren maken die morele verontwaardiging uitdrukken, het is toch wat, klaarlichte dag, bijna vol pakje... Gelukkig, niemand heeft het gezien. Ik hoef me niet te schamen voor mijn slachtofferschap. Ik ga verder met mijn krant, ik kan het pakje wel missen en gun het de voorbijgangster graag. De geest blijft schoon, er heerst vrede op het terras.

Er wordt wel eens gezegd dat de mens van nature een monster is dat alleen in een sociaal verband getemd kan worden, maar dat klopt in dit geval wat mij betreft toch niet. Aan mezelf overgelaten was ik vreedzaam genoeg, maar als de anderen me hadden gezien, had ik me bijna verplicht gevoeld om een hoop zinloze agressieve drukte te gaan maken. De anderen maken vreedzaamheid tot een schande.

Eén andere is al genoeg om te verhinderen dat de geest schoon blijft. Ik lees een tennisboekje waarin een soort yoga-tennis wordt aanbevolen. Beoordeel een misslag niet negatief, schrijft de leraar. Goed of slecht, dat zit in de geest, het is geen eigenschap van de gebeurtenis zelf. Stel je voor, schrijft hij, dat je bovenbuurman harde muziek opzet, terwijl je net een boek wilt lezen. Vervelend. Nog vervelender wordt het als je dan naar boven gaat, onderhandelt, en hij het vervolgens nog harder zet. Dan wordt het een aanslag op je persoon. Ten onrechte. De muziek is op zichzelf niet negatief, het is slechts de geest die er een negatief waardeoordeel aan geeft. Het kan ook anders. Probeer van de muziek te genieten, neurie mee, sla de maat. Een waardevolle concentratieoefening die je in een wereld vol lawaai nog van pas zal komen.

Kan dat? Tot op zekere hoogte. Als de trommelvliezen barsten wordt het moeilijk om vol te houden dat dit een op zichzelf neutrale gebeurtenis is, die in de geest onnodig negatief geduid wordt. Maar goed, ik kan me nog voorstellen dat ik die concentratieoefening blijmoedig zou uitvoeren. Als ik alleen was tenminste. Nooit met zijn tweeën, dat is onvoorstelbaar. Eerst samen bij de buurman klagen en vervolgens samen de maat slaan van zijn muziek, dat lijkt niet op een schone geest, maar op een bespottelijke klucht. Allebei zouden we ons voor elkaar schamen en ons verplicht voelen om te zeggen: “Dat pikken we toch niet, bel de politie en als die niet komt wordt het oorlog, desnoods breken we het huis tot de fundamenten af, maar dit onrecht kan niet getolereerd worden!“

Zou er nog veel gepreekt worden naar aanleiding van Lucas 6:29? “Slaat iemand u op uw wang, keer hem ook de andere toe, neemt iemand uw mantel af, laat hem ook het hemd nemen.“ Het klinkt niet erg eigentijds. De politici die de christelijke waarden aanbevelen, hebben waarschijnlijk iets anders op het oog. Toch lijkt me hier de essentie van het christendom verwoord te zijn, maar misschien vergis ik me, want ik ben maar een heiden. Het is in ieder geval een christelijke deugd die nauwelijks meer als deugd herkend wordt. Een storm van verontwaardiging zou opgaan als minister Hirsch Ballin vanuit zijn diep christelijk geloof de burgers zou aanbevelen om ook nog hun hemd te geven.

Ik besluit tot een kleine oefening in de geest van Lucas 6:29. Ik zit weer op het terras, sigaretten uitnodigend op tafel, ik keer mijn dievegge het andere pakje toe, mocht ze weer langskomen. Maar ik zie dat er iemand anders langskomt, Frits Bolkestein, diep in gedachten over de uitvoering van zijn stoutmoedige experiment om als liberaal de samenleving te doordrenken met de christelijke normen en waarden. Hij is dan wel geen intellectueel, maar met zijn helder praktisch verstand begrijpt hij onmiddellijk wat er aan mijn tafeltje aan de hand is. Hij denkt: “Een experiment in christelijke naastenliefde! Het lijkt verdacht veel op uitlokking van een strafbaar feit! Zo heb ik het niet bedoeld toen ik over de christelijke waarden begon. Ik bedoelde eigenlijk: slaat iemand u op uw wang, pak dan een honkbalknuppel, want niet alles kan van de overheid komen. Misschien moet ik mijn experiment nog eens heroverwegen!“

Zijn zorgen zijn de mijne niet, maar ik besef dat ook mijn experiment jammerlijk aan het mislukken is. Juist in mijn poging om een christelijke deugd te praktizeren, maak ik mij schuldig aan een ernstige zonde, die van de zelfverheffing. De hybris van de naastenliefde. De eerste keer was mijn reactie in orde geweest, afgezien van dat laffe gegluur naar de medemens, maar toen had ik nog niet in de Bijbel gekeken en probeerde ik niet deugdzaam te zijn. Het was uit gezond egoïsme geweest dat ik mijn dievegge haar pakje gunde. Jezus zat op het goede spoor, maar hij praatte teveel. Het was deze keer op mijn terras niet de sociale dwang geweest die alles bedorven had en zelfs niet de ene medemens, maar het geweten, de innerlijke stem die je waarschuwt dat je naar jezelf kijkt. Als het geweten spreekt is het mis.

    • Hans Ree