Schimmen en resten van een welbeseild schip

Vijf dagen duurt de tocht vanaf Papeete naar het eiland, een speldeprik in de Stille Zuidzee. Het ligt in 'De Wolk van Eilanden' zoals de lokale bevolking de Toeamotoe Archipel noemt, zo'n 800 kilometer ten noordwesten van Tahiti. De sloep van een aftandse kustvaarder zet me af. Ooit was dit eiland het decor voor een Hollands zeemansdrama. In mei 1722 zonk er een schip en kreeg het eiland een Hollandse naam. Ook verdronk er een matroos en namen vijf zeelieden de benen.

Op de kleine pier staat alleen een jongetje van een jaar of tien. Het joch geeft me naar goed Polynesisch gebruik een witte bloem, zegt: 'Bonjour Monsieur' en rent weg. Vanaf het piertje loopt een lijnrechte betonnen weg het dorp Tefakatopatere in. Het ligt te stomen in de zon. In de verte is de hemel loodgrijs van een wegtrekkende donderbui. Tussen klappers en broodbomen staan schoongewassen hybiscusstruiken, flamboyanten en tiare-tahitiboompjes.

Ik vind een onderkomen bij Madame de weduwe Lea Teahu, een gepensioneerde onderwijzeres. Ze is me aanbevolen als de vraagbaak voor de geschiedenis van Takapoto, de inheemse naam van het eiland. Ik zoek namelijk naar sporen van het Hollandse schip dat hier - om precies te zijn - in de nacht van 18 op 19 mei 1722 verging.

Op 1 augustus 1721 vertrekt de Middelburgse notaris Mr. Jacob Roggeveen met drie schepen van de rede van Texel op zoek naar het onbekende 'Suytlandt'. De West-Indische Compagnie financiert de expeditie. Na Kaap Hoorn te hebben gerond, zeilen de schepen noordelijk de Stille Zuidzee op. Op 5 april 1722 komt een onbekend eiland in zicht. Omdat het toevallig Pasen is, noemt Roggeveen dat het Paaseiland. De schepen vervolgen hun weg en na de 15de breedtegraad onder de evenaar wordt de koers naar het westen verlegd en varen ze niemandszee in.

Het is de nacht van 18 op 19 mei, 1722. Er staat een stevige wind en een zware deining. Van de drie schepen zeilt het jacht 'De Africaense Galey', onder bevel van kapitein Roeloff Roosendaal, voorop. Daarachter de 'Arent' met Roggeveen aan boord. Als laatste de 'Thienhoven' onder bevel van Cornelis Bouman.

Om half één 's nachts, schrijft Roggeveen in zijn journaal, “gaff d'Africaense Galey, die vooruyt zeylde, het zeyn van land off droogte te sien”. Hij geeft de twee andere schepen bevel de stevens te wenden. Vlak daarop hoort Roggeveen een reeks kanonschoten. Ze zijn van de 'Galey'. Ook ziet hij drie lichtsignalen; het noodsein dat het schip is gestrand.

Er worden sloepen uitgezet. De 'Galey' is in volle vaart een koraalstrand opgevaren, zo ver zelfs dat de boegspriet over de wal zit. Voorzien van ankers en trossen worstelen de sloepen naar de kust om de 'Galey' los te trekken. Dat lukt niet.

De wind wordt harder en de twee andere schepen dreigen aan lager wal te geraken. Pas de volgende dag durft Roggeveen weer dichterbij te komen. Tegen zonsopgang peilt hij de noordkant van het eiland en noemt het ' 't Schadelijk Eyland', omdat de 'Galey' er op vast gelopen is.

“C'est une histoire extra-ordinaire”, roept Madame Lea uit, als ze dit verhaal hoort. Ze roept haar kleinzoon Serge en draagt hem op mij naar Monsieur Rua Marihau te brengen. Rua is een potige visser met een traditionele lauwerkrans op z'n hoofd. Hij spreekt gebrekkig Frans en Serge vertaalt zijn verhaal.

Bij de plek Tikaruga aan de oostkant van het eiland, staken tot twee jaar geleden bij eb de lopen van twee oude kanonnen uit het koraal. Rua trok ze er uit met een lier. Hij wilde ze als antiek verkopen. Maar Napoleon Spitz, de burgemeester van Takapoto, stak daar een stokje voor en confisqueerde ze op grond van de Franse wet op gevonden oudheden.

Opwinding slaat door me heen. Ik wil ze meteen zien. “Kom maar mee”, zegt Serge. Onder een jonge klapperboom op het terrein van de Takapotaanse publieke werken liggen ze. Eén is bijna aan gruzelementen. Het tweede is nog onmiskenbaar een kanon van twee meter lang en veertig centimeter doorsnee. Voordat ik hem kan tegen houden, slaat Rua met een steen er een stuk van af. “Voor u meneer, een leuk souvenir”, zegt hij met een brede grijns.

De volgende ochtend loop ik met Serge door de klappertuinen naar Tikaruga, de plaats van de stranding. Op de plek waar de bronzen kanonnen 271 jaar hebben gelegen, is het geelwitte koraal in het heldere water door bronsresten bruin gekleurd. Helgele visjes schieten eroverheen. Twintig meter verderop buldert de branding tegen het koraalrif dat 'd'Africaense Galey' noodlottig werd. In een fijne nevel van opstuivend water scheren rusteloze sterns boven de golven. Om het schip lichter te maken zet kapitein Roeloff Roosendaal op 19 mei 1722 de kanonnen over boord. Dat haalt evenwel niets uit. Op 21 mei worden opnieuw twee sloepen uitgezet. Die van de 'Thienhoven' kapseist in de branding en de bemanning raakt te water. Op 23 mei 1722 slagen twee sloepen erin iets van de lading te bergen van de 'Galey'. Het schip is niet meer los te trekken en de bemanning wordt geëvacueerd. Roggeveen maakt dezelfde dag nog de balans op: “Dit verlies van een soo goed en welbeseild Schip is des te grooter, aangesien de voornaamste levensmiddelen van brood en gort, in vaatwerk, en nu nog soo deugtsaam als wanneer hy uyt 't Vaderland vertrokken was, al te samen, sonder iets te hebben konnen salveren, verloren sijn.”

Maar het drama bij Takapoto is nog niet voorbij. Als de sloepen voor de laatste keer van het strand vertrekken, besluiten vijf mannen achter te blijven. Roggeveen noteert hun laatste woorden: “Wij wenschen u een behouden reys, segt onse vrinden t' Amsterdam goede nagt, wy sullen hier blyven”. Vervolgens verdwijnen ze in het struikgewas achter het strand. Roggeveens oordeel over 'die uytsinnige weglopers' is hard. Hij begrijpt niet waarom de vijf zijn gedrost. Het zal het vooruitzicht van nog eens vele maanden op zee met scheurbuik, honger en dorst geweest zijn dat hen tot hun wanhoopsdaad heeft gedreven. Roggeveen daarentegen noteert in z'n journaal: “Ook is haar (de vijf) kenlijk dat het Eyland bewoont wordt, en door dronkenschap of dartele wellust gedreven werdende, om met de vrouwen der Indianen vleeschelyke gemeenschap te hebben, sy sekerlijk sullen vermoord worden”. Met andere woorden: God zal ze straffen, die dronken geilaards. Van hen is nooit meer iets vernomen.

Roggeveen geeft bevel de stevens van de andere scheppen te wenden en laat zijn 'Schadelijk Eyland' achter zich. Het 'Suytland' zal hij niet ontdekken. Na een tocht vol ontberingen en veel doden komt hij op 3 oktober 1722 in Batavia aan.

De dag voor mijn vertrek schuift bij het ontbijt Tahiri Toöfa aan, een vrolijke visser van in de zeventig met een basketbalpet op. Toöfa vertelt dat bij kalm weer vlak achter de branding bij Tikaruga donkere vlekken zijn te zien; de resten van de 'Galey' op zo'n vijftig meter diep. En als het stormt hoor je volgens Tahiri het ijle geluid van een scheepsklok die vast en zeker wordt geluid door de geest van een verdronken zeeman.

    • Gerard Boon