Rotterdamse musea

Op de opiniepagina (NRC Handelsblad, 2 april) schrijft Jan Vaessen dat de toenmalige directie van de Dienst Gemeentelijke Musea eind 1992 unaniem tot een fusie van Rotterdamse museau heeft besloten.

Dat is niet alleen onjuist, dit is zelfs onmogelijk. Die beslissing ligt niet bij de directie. Wel heeft zij in een brief van 14 december 1992 aan de wethouder gerapporteerd dat zij na inventariserend onderzoek en overleg onder voorzitterschap van een Berenschot-adviseur tot de conclusie was gekomen dat in het belang van de musea een éénhoofdige leiding onvermijdelijk was. Dat zou, aldus de directie, op twee manieren kunnen: één museum Rotterdam, of een 'holding-constructie', waarbij een hoofddirecteur leiding zou geven aan de directeuren van de samenstellende musea. In de brief hielden de directeuren een slag om de arm. De directie vond dat verder onderzoek nodig was, en gaf Berenschot opdracht dat te doen. Wel iets heel anders dan 'een besluit tot fusie'. Directie-voorzitter Wim Crouwel legde in een nieuwjaarstoespraak voor alle medewerkers uit dat en waarom de directeuren hadden besloten te gaan zoeken naar nauwere vormen van samenwerking. Als uiterste consequentie zag hij één 'Museum Rotterdam'. Hij kondigde aan dat dit niet meer dan voorlopige gedachten waren.

Berenschot onderzocht twee mogelijkheden: volledige integratie van de Rotterdamse musea of volledige ontvlechting van diezelfde instellingen. De opdracht luidde dus niet de fusieplannen verder uit te werken, zoals Vaessen stelt. En ook nam de directie met haar afwijzing van het rapport geen afstand van het eigen gedachtengoed.

Overigens beslissen niet de directies van musea over ontvlechting of integratie, maar het openbaar bestuur. Zo is onze samenleving ingericht. Het is het bestuur van de stad Rotterdam dat er al decennialang niet in slaagt de steeds weer oplaaiende structuurdiscussie op te lossen.

    • Henk Slechte