Raad Amsterdam na debat IRT: tijd voor tegencampagne

AMSTERDAM, 12 APRIL. Als het aan het Amsterdamse stadsbestuur ligt, hoeft hoofdcommissaris Nordholt zich geen zorgen te maken over zijn toekomst als korpschef. In de raadscommissie voor politiezaken, gisteren op het stadhuis, sprak waarnemend burgemeester F. de Grave zijn onverminderd vertrouwen uit in de korpsleiding van de Amsterdamse politie. Hij kreeg daarmee de meerderheid van de partijen achter zich.

De commissievergadering was geheel gewijd aan het rapport van de commissie-Wierenga over de opheffing van het Interregionaal rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT), door de Amsterdamse politie op 7 december vorig jaar bekendgemaakt. In de vergadering gisteren klaagden de gemeenteraadsleden voornamelijk over het IRT-debat in de Tweede Kamer, vorige week. Het had wel een campagne tegen Amsterdam geleken, vond fractievoorzitter A.L. van der Stoel (VVD) en zij achtte de tijd rijp voor een tegencampagne.

Zover wilden de andere raadsleden niet gaan. Maar zij lieten zich bijna allemaal laatdunkend uit over de beschuldigingen die over de Amsterdamse hoofdrolspelers waren uitgestort, terwijl de 'echte verantwoordelijken' (de ministers van justitie en binnenlandse zaken) door een meerderheid van de Kamer overeind werden gehouden.

Zo werd het debat in het stadhuis het spiegelbeeld van dat in de Tweede Kamer. Waarom zouden we in Amsterdam de koppen snellen van de betrokken functionarissen, zo vroeg PvdA'er G. ter Horst zich af, terwijl de politiek verantwoordelijken in Den Haag blijven zitten? Waarnemend burgemeester De Grave vond “de hardheid van het oordeel van de minister van justitie omgekeerd evenredig aan de geringe eigen verantwoordelijkheid die hij bij zichzelf legt”.

Alleen D66 was van mening dat ook in Amsterdam 'consequenties moeten worden getrokken', maar minder vaag dan dat durfde fractievoorzitter Robbers het niet te formuleren. Hoofdcommissaris Nordholt, die samen met oud-IRT-chef commissaris J. van Riessen de vergadering bijwoonde, hoefde zich niet ongerust te maken. Alleen R. van Duijn (Groen Amsterdam) vond dat hij de eer aan zichzelf zou moeten houden.

De hoofdcommissaris nam ruim de tijd om uit te leggen dat hij op tal van vragen geen antwoord kon geven. Volgende week maandag voert minister Van Thijn (binnenlandse zaken) een gesprek met hem. Nadrukkelijk geen 'functioneringsgesprek', zoals eerder aangekondigd, aldus Nordholt. Hij achtte het onbehoorlijk om vooruitlopend op die ontmoeting, alvast in een publieke vergadering te reageren op de beschuldigingen aan het adres van de Amsterdamse politie. Waarnemend burgemeester De Grave vertelde dat ook de Utrechtse politiechef Wiarda bij de minister was ontboden.

Nordholt wekte niet de indruk te vrezen voor ontslag. Hij zag zelf geen reden om op te stappen en kondigde aan bij Van Thijn 'aanvullende verklaringen' te zullen afleggen over de perikelen rond het rechercheteam.

Hij gaf enkele fouten toe, maar stelde het rechercheteam altijd te hebben gesteund. De opheffing ervan weet hij aan de gebrekkige 'beleidsmatige inbedding' en aan een 'gezagsvacuüm'. “Iedere keer dat ik erop wees dat Lith (de teamleider tot juli '93, red.) niet één chef boven zich had en dat ik dat slecht vond, werden bepaalde personen boos”, aldus Nordholt.

Op de vraag hoe het mogelijk is dat details over onderzoeken van het IRT-team in de media terecht zijn gekomen, zei de korpschef: “Er is gelekt vanuit één onderzoek. Dat is op straat gekomen. Maar niet door de politie. Dat klinkt misschien wat cryptisch, maar meer kan ik er hier niet over zeggen.”

Dat de Amsterdamse politie niet zou kunnen samenwerken, zoals in het debat in de Tweede Kamer is gezegd en zoals gisteren door een raadslid nog eens werd gesuggereerd, weersprak Nordholt. “De samenwerking met het korps van Utrecht is alweer begonnen.”