Pyrrus in Sodom

Volgens een onderzoek dat het bureau InterView in opdracht van het dagblad Trouw heeft verricht, wist half maart ruim 41 procent van de ondervraagden nog niet op welke partij op 3 mei te zullen stemmen. Daarmee blijkt het aantal twijfelaars dit jaar groter dan ooit.

Nu, de nacht van donderdag op vrijdag van vorige week moet de keus voor die twijfelaars gemakkelijker hebben gemaakt. Het CDA en de PvdA, de twee regeringspartijen, hebben zichzelf uitgeschakeld als partijen bij wie de parlementaire democratie in goede handen is.

Samen goed voor 103 van de 150 zetels in de Tweede Kamer hebben zij twee van hun bewindslieden, onder wier verantwoordelijkheid dingen waren gebeurd die ook zijzelf als ontoelaatbaar hadden gekenschetst, laten zitten. Niet één rechtvaardige is in dit staatsrechtelijke Sodom opgestaan - terwijl dat de meerderheid niet in gevaar zou hebben gebracht.

Nog verwonderlijker is het dat ook de kleine christelijke partijen, die niets te verliezen hadden (behalve de reputatie het staatsrechtelijk geweten van de Kamer te zijn), met hen meegegaan zijn, al waren ze het inhoudelijk eens met de argumenten van VVD, D66 en GroenLinks om de bewindslieden heen te zenden. Heeft huivering zich met deze goddeloze troep te vereenzelvigen hen op het laatste ogenblik bevangen?

De zaak is niet zonder haar tragische momenten. De twee betrokken ministers waren, ieder in eigen partij, voorvechters van herstel van moraal en zuiverheid in de politiek, en aan hun oprechtheid hoeft niet getwijfeld te worden. Dat juist zij zich moesten uitputten in argumenten die jezuïtische casuïstiek benaderden!

Dit culmineerde in het ambtsbericht dat oud-burgemeester Van Thijn uitbracht aan minister Van Thijn. “Geestelijk acrobatiek” noemde Van Thijn dat zelf, maar dat was nog een eufemisme. Hier sloeg het tragische moment om in het ridicule.

En ronduit beschamend werd de vertoning toen de minister-president na de stemming opstond en meermalen het triomfantelijke gebaar - beide armen in de lucht uitgestrekt - van de Olympische winnaar maakte. Zeker, hij had een politieke overwinning behaald of liever: was een nederlaag ontkomen, maar ten koste waarvan? Eens te meer bleek dat minister Lubbers de staatsrechtelijke portee van politieke zaken niet begrijpt of - en dat zou nog erger zijn - onbelangrijk vindt.

Daarbij komt dat de overwinning waaraan de minister-president plastische uitdrukking gaf, wel eens een Pyrrusoverwinning kan blijken te zijn. De indruk dat hier de hoge heren elkaar de handen boven het hoofd houden en dat de minderen moeten boeten, is er niet door weggenomen, eerder versterkt.

Dat kan zijn terugslag hebben op de - toch al slechte - kansen van CDA en PvdA bij de verkiezingen van 3 mei. Zouden die kansen niet beter zijn geweest als de betrokken ministers direct na verschijning van het rapport-Wierenga afgetreden zouden zijn? Dan zouden hun partijen zich tenminste hebben kunnen koesteren in de glans van integriteit en politieke moed.

Maar dat zijn overwegingen waarover degenen die niet tot die partijen behoren of zich aangetrokken voelen, zich geen zorgen hoeven te maken. Wat hen daarentegen wèl aangaat, is het elan dat het cynisme jegens het politieke bedrijf ongetwijfeld, als gevolg van deze affaire, krijgt. Dat doet de democratie geen goed.

De nacht van donderdag op vrijdag heeft al hier en daar de naam gekregen van belangrijkste debat in de naoorlogse parlementaire geschiedenis van Nederland. Dit is zeker een overdrijving - waaraan we ons vaak schuldig maken wanneer het onze tijd betreft. De historicus zal het moeten uitmaken.

Een andere misvatting is dat de politiek in de jaren '40 en '50 - kortweg: vóór de revolutie van de jaren '60 - een veel saaiere boel was dan nu. De partijdiscipline zou toen veel groter zijn geweest; de gekken prezen wat de heren wezen - met als gevolg dat het politieke debat tam en voorspelbaar zou zijn geweest. Het was de tijd van Drees. Welnu, dat is een mythe, en de politicoloog prof. H. Daalder prikt haar door in een interview in Trouw (9 april):

“Drees genoot veel respect en vertrouwen, maar dat betekende niet dat er geen meningsverschillen waren. Dat is een grove vertekening. De conflicten waren zelfs groter dan nu en werden op het scherpst van de snede uitgevochten. Kijk naar het Indiëbeleid.

“Maar ook de zorgvuldigheid waarmee met politieke beslissingen werd omgegaan, was veel en veel groter. Het beeld van onmondige, slaafse partijgangers, dat Van Mierlo dikwijls ophangt, is onhoudbaar. Het is echt onzin dat 'de' leiding het beleid decreteerde. Er ging aan tal van zaken grondig overleg en heftig debat vooraf. Bovendien, dat politieke debat was verre superieur aan dat van nu.”

Kortom, de geschiedenis is niet pas in 1966 begonnen. En wie die naar het debat van vorige week kijkt, durft nog te beweren dat het minder voorgekookt was dan vroeger? Eerder meer! Met dit tragisch-ironische aspect erbij dat Van Thijn, de “grote bedenker” (aldus Daalder) van polarisatie strategie tussen links en rechts van de jaren '60, nu gered moest worden door het CDA, met de stemmen van D66 en GroenLinks tegen.

Wat ook ten nadele veranderd is, is het begrip voor staatsrechtelijke zuiverheid. Maar wat wil je, wanneer het aantal economisten, sociologen, politicologen en andere -ogen onder de Kamerleden dat der juristen ver overtreft en de minister-president ook niet altijd het goede voorbeeld geeft? Trouwens, de minister van justitie ook niet.

    • J.L. Heldring