Onopgeloste paradox

Het begint zo langzamerhand rond te zingen. De discussies over het sociaal-economisch beleid in de komende kabinetsperiode leveren steeds weer dezelfde recepten op: lastenverlichting, loonmatiging, verlaging of afschaffing van het minimumloon, een flexibeler arbeidsmarkt, grotere afstand tussen lonen en uitkeringen. Het jongste economendebat, georganiseerd door de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, kan de deelnemende politici niet veel meer inzicht in de doelmatigheid van hun verkiezingsprogramma's hebben verschaft.

Prof. dr. F.W. Rutten, die het debat voorzat, had de stelling waarin de noodzaak van lastenverlichting wordt verkondigd ietwat genuanceerd. Hij stelde namelijk dat lastenverlichting wel bijdraagt tot een gunstig klimaat voor loonmatiging, maar dat een strikte koppeling niet mogelijk is. Dit komt doordat de loonvorming een decentraal proces is. Daarom is het niet reëel te verwachten dat loonmatiging via een centraal akkoord aan werkgevers en werknemers in de bedrijfstakken en ondernemingen kan worden opgelegd. Een nuttige nuancering, voorzover hierin een erkenning ligt besloten van het feit dat van corporatistische schijnakkoorden niet veel te verwachten valt.

Er is wel een soort consensus ontstaan in de politiek en de maatschappelijke organisaties. Zo zijn alle partijen het erover eens dat de wig, het verschil tussen bruto-loonkosten en netto-loon, moet worden verkleind, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt, en dat de ruimte tussen het minimumloon en de laagste loonschalen moet worden opgevuld. De verschillen tussen de partijen komen vooral tot uiting in de ombuigingen die worden bepleit om een zodanige verlaging van de lasten mogelijk te maken dat de gemiddelde en marginale druk op de arbeid wordt verminderd. Diezelfde verdeeldheid zien we overigens ook bij het 'wig-akkoord' dat onlangs in de SER tot stand kwam.

De nadruk die CDA en VVD leggen op bevriezing van de uitkeringen leidt volgens de Amsterdamse hoogleraar Van Wijnbergen af van het grote probleem wat er gedaan moet worden met de mensen die al een uitkering hebben. Hij zei de indruk te hebben dat een miljoen werklozen in feite worden afgeschreven. Het gaat erom deze mensen aan een baan te helpen en daar is een actief arbeidsmarktbeleid voor nodig.

Ik denk dat Van Wijnbergen gelijk heeft als hij vaststelt dat de politieke partijen grotendeels om dit probleem heen lopen. De roep om vooral ruimte te scheppen aan de onderkant van de arbeidsmarkt roept een paradox op die tussen de regels door in het SER-advies over het sociaal-economisch beleid voor 1994-1998 kan worden gelezen. In het analytische deel van dat advies wordt namelijk de tegenstelling zichbaar tussen de hoofdontwikkeling in arbeidsorganisaties die gericht is op verhoging van de kwaliteit van de arbeid en het daaraan diametraal tegenovergestelde streven om 'eenvoudige' banen te scheppen op laag-geschoold niveau. In de meest geavanceerde sectoren van onze economie is de behoefte aan laag- en ongeschoold personeel sterk gedaald. Daardoor is de bezetting van de laagste loonschalen in deze sectoren verminderd. De opwaardering van de arbeid door taakverrijking en functie-integratie werd vertaald in hogere loonschalen. De afstand tot het minimumloon is daardoor steeds groter geworden.

De paradox wordt in feite niet opgelost. Je kunt de vraag naar laag-geschoold personeel niet kunstmatig opvoeren door lagere loonschalen in te voeren en de ontwikkeling in de moderne arbeidsorganisaties terug te draaien. Wanneer er gesproken wordt over splitsing van taken is het uit bedrijfseconomisch oogpunt veel aantrekkelijker om taken af te splitsen naar lage-lonenlanden.

Alleen in sectoren die niet blootstaan aan internationale concurrentie, zoals in delen van het midden- en kleinbedrijf, kunnen laag- en ongeschoolden nog terecht. Maar daar is de afstand tussen de laagste loonschalen en het minimumloon relatief beperkt gebleven en zijn de laagste loonschalen bovendien redelijk goed gevuld.

De enige sector waar nog emplooi zou kunnen worden gevonden voor laag produktieve arbeid is de overheidssector. Maar juist daar is de laatste jaren door de bezuinigingsdrift een proces van herstructurering op gang gebracht waardoor veel van de laagbetaalde functies zijn weggesaneerd, verzelfstandigd of geprivatiseerd.

Wij blijven dus zitten met de vraag waar we de simpele banen, die we desnoods met openbreking van de cao-systemen willen scheppen, moeten vinden als we ons niet wensen te beperken tot herinvoering van wegwerpbaantjes als koffiejuffrouw of boodschappenjongen.

    • A.F. van Zweeden