Onderzoek: derde deel archeologisch erfgoed in Nederland verwoest

ERMELO, 12 APRIL. De afgelopen veertig jaar is ruim een derde van het archeologische erfgoed in Nederland verwoest. Dit blijkt uit een onlangs afgerond onderzoek van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Verder meldt de Archelogische Monumentenwacht (AMW) in zijn binnenkort te verschijnen jaarverslag, dat meer dan de helft van de 760 beschreven zichtbare archeologische monumenten sterk is aangetast.

Zichtbare archeologische monumenten zijn bijvoorbeeld terpen, hunebedden, urnenvelden en grafheuvels. In het Sprielderbos bij Ermelo liggen dicht bijeen zes grafheuvels uit de Late Steentijd en de Bronstijd (2400-1000 voor Chr.). In de negentiende eeuw is hier een bos geplant. Niet gehinderd door enig historisch besef heeft men toen ook de grafheuvels beplant en in een enkel geval is er een zandweg dwars doorheen getrokken.

De argeloze wandelaar die het bos betreedt, ziet alleen een aantal ronde heuvels en een oplopend zandpad met op de top aan weerszijden een verhoging. Rob Datema van de AMW, die sinds 1990 het hele land doorreist om zichtbare monumenten te inspecteren, wijst op kleine kuilen op de toppen van de heuvels. “Daar hebben mensen in de negentiende eeuw urnen weggehaald.”

De grafheuvel die door de zandweg wordt doorsneden, is er het ergst aan toe. Duidelijk te zien zijn de recente sporen van gekapte bomen die dwars over het weinige dat van de heuvel nog rest zijn weggesleept. “De bomen die er nog staan kunnen ook een bedreiging vormen”, aldus Datema. Hij wijst een beuk en een eik aan. “Beide bomen zijn ziek. Zij zouden gekapt moeten worden voordat een storm ze omblaast en de bomen in hun val alles wat nog over is vernietigen. Verder zou het pad omgelegd moeten worden. Daarna kun je de heuvel met zand opvullen en restaureren.”

De grafheuvels bij Ermelo zijn bovengronds, maar de meeste archeologische monumenten zitten onder het grondoppervlak en zijn dus onzichtbaar. “Ik schat dat dat voor 99 procent geldt”, aldus prof. dr. W. Willems, directeur van de ROB. Zijn dienst heeft onderzocht hoeveel van het archeologisch erfgoed sinds 1950 door stadsuitbreiding, delfstofwinning, verbetering van de infrastructuur, landinrichting en ruilverkaveling is verdwenen.

Nederland telt ongeveer 15.000 archeologische vindplaatsen. Aan de hand van de vondstomstandigheden is te bepalen waar nog meer archeologisch waardevolle gebieden liggen. Die kennis is vergeleken met CBS-gegevens die vertellen waar in de loop der jaren het natuurlijk landschap vanwege ruimtelijke ordeningsplannen is aangetast. Willems is geschokt door de uitkomst. “We kunnen hard maken dat ruim een derde van het archeologisch erfgoed is verdwenen, maar waarschijnlijk gaat het zelfs om de helft. Anders dan bij de natuur gaat het hier om iets dat zich nooit meer kan herstellen.”

Willems pleit voor een versterking van de archeologische monumentenzorg. Hij wil de provincies en gemeenten meer taken en bevoegdheden geven en denkt bijvoorbeeld aan het geven van stimuleringssubsidies voor gemeenten die een eigen gemeentelijke archeologische dienst willen instellen.

Maar geld alleen - eind april is er overleg tussen WVC en vertegenwoordigers van de Nederlandse archeologie over de benodigde bedragen - is volgens Willems niet genoeg om te voorkomen dat Nederland in 2050 een archeologische woestijn is. De vernietiging van het archeologisch erfgoed heeft kunnen plaatsvinden, omdat het zo makkelijk over het hoofd is te zien. Het is immers niet direct zichtbaar. De boer die zijn land ploegt, de aannemer die een weg aanlegt, de houthakker die een boom wegsleept, maar ook de beleidsmakers en politici op gemeentelijk, provinciaal en landelijk niveau hebben de archeologie meestal zonder het te beseffen schade toegebracht. Er is dus wat Willems noemt 'een integraal beleid' nodig, dat iedereen bewust maakt van het ondergrondse cultureel erfgoed.