Kok heeft het geprobeerd, het is niet gelukt

In 1989 stond in het regeerakkoord dat het kabinet de gegroeide inkomensverschillen zou verkleinen, het aantal uitkeringsgerechtigden zou terugdringen, de werkgelegenheid zou stimuleren en financieringstekort en collectieve lastendruk zou terugdrukken.

Frank van Empel constateert dat daar maar bitter weinig van terecht is gekomen.

'Niemand kan voor zichzelf zorgen. Wat mensen kunnen, is zorgen dat anderen voor hen zorgen''. Met dat citaat uit Bram de Swaans klassieke (1976) essay 'De mens is de mens een zorg' begon PvdA-lijsttrekker Wim Kok op dinsdag 5 april een toespraak in de Amsterdamse Beurs van Berlage. Een beter citaat had Kok niet kunnen kiezen. Zijn hele toespraak was gericht op dat ene punt: als mensen niet voor zichzelf kunnen zorgen, wie moet het dan wel doen? En het antwoord was voorspelbaar. De overheid natuurlijk, en in het bijzonder de PvdA, want die partij heeft het beste met de mensen voor. Een concreet aanvalsplan om de werkloosheid op te lossen en de inkomensverschillen te verkleinen gaf Kok niet. Een beetje arbeidsduurverkorting, een beetje werken met behulp of met behoud van uitkering en natuurlijk de panacee voor al het kwaad: loonmatiging. De kiezer moet de grote stuurman naast Ruud Lubbers vertrouwen en dan komt het vanzelf wel goed. Dat is kort gezegd de boodschap van de op Kok gerichte PvdA-campagne. Maar is dat wel zo? Hebben politici van welke kleur dan ook überhaupt wel grip op economische en maatschappelijke ontwikkelingen? Of is dat beeldvorming? Waarschijnlijk het laatste.

Kok heeft vier jaar de tijd gehad om met Lubbers een karwei te klaren. Welk karwei? Als we teruggaan in de tijd dan kunnen we vijf maatstaven noemen. In 1989 mochten we verwachten dat het CDA/PvdA-kabinet de gegroeide inkomensverschillen zou verkleinen, het aantal uitkeringsgerechtigden zou terugdringen, de werkgelegenheid zou stimuleren en financieringstekort en collectieve lastendruk zou terugdrukken. Dat stond met zoveel woorden in het regeerakkoord.

Wat kwam ervan terecht? Gemeten aan de vijf genoemde maatstaven zijn Kok en Lubbers niet in hun oorspronkelijke opzet geslaagd. Onder vier jaar Lubbers en Kok ging de modale werknemer er exclusief incidentele toeslagen als gevolg van promoties en dergelijke 2,75 procent in koopkracht op vooruit, de AOW'er met een minimum uitkering daarentegen boette 2,15 procent aan koopkracht in. Een denivellering van 4,9 procent, ofwel 1 procent per jaar. Dat is nagenoeg evenveel als de denivellering onder zeven jaar CDA/VVD-kabinet onder leiding van Lubbers. Toen groeide het koopkrachtverschil met 1,1 procent per jaar.

Het aantal uitkeringen groeit sinds 1970 continu. Welke politici er ook zitten, het maakt niet uit. De cijfers blijven stijgen. We hebben het dan niet eens over de vergrijzing - het aantal AOW'ers - maar over de beroepsbevolking: personen beneden de 65 jaar die een baan zouden moeten hebben. Het aantal personen beneden de 65 jaar dat een beroep doet op een of andere inkomensvervangende uitkering is in de afgelopen 25 jaar onafgebroken gestegen van 0,7 miljoen in 1970 tot 2,6 miljoen nu. Tegenover 5,7 miljoen werkenden (12 uur of meer per week) staan nu 2,6 miljoen werklozen, arbeidsongeschikten, zieken, vutters, weduwen en wezen. Tijdens twaalf jaar Lubbers (inclusief vier jaar Kok) is het aantal uitkeringsafhankelijke Nederlanders beneden de 65 jaar met een miljoen gegroeid.

Volgens het adagium van De Swaan “Niemand kan voor zichzelf zorgen” is dat niet meer dan logisch en voor de PvdA - de partij die bestaat bij de gratie van deprivatie - is het een zegen. Stel je eens voor dat mensen echt voor zichzelf gingen zorgen, waar zou de PvdA dan zijn stemmen vandaan moeten halen?

De belangrijkste poging van het kabinet Lubbers/Kok om het aantal uitkeringsgerechtigden terug te dringen was de WAO-operatie, die alles bij elkaar drie jaar in beslag nam en tot niets leidde. Onder druk van belangengroepen raakte de oorspronkelijke doelstelling (minder WAO-uitkeringen) al snel uit beeld en ging het debat alleen nog maar over het ontzien van zoveel mogelijk arbeidsongeschikten. Uiteindelijk werd iedereen ontzien. De oude gevallen, maar ook de nieuwe. Voor de laatsten werden op grote schaal aanvullende verzekeringen geregeld. Dat leidde ertoe dat werknemers uit het bedrijfsleven bij arbeidsongeschiktheid 73 procent van hun laatste inkomen blijven ontvangen (dat was 75 procent). Voor werknemers en werkgevers bestaat daardoor geen enkele financiële prikkel meer om mensen niet naar de WAO in plaats van de WW te sturen. Integendeel. De WAO blijft een financieel veel aantrekkelijker regeling dan de WW en zuigt daardoor automatisch mensen aan. Elk aanbod (ook van regelingen) schept zijn eigen vraag. Dat zegt de eeuwenoude maar nog altijd actuele Wet van Say. Oud-staatssecretaris Elske ter Veld van sociale zaken voelde dat - zij het wat laat - prima aan toen ze op 6 april tijdens een symposium zei dat Nederland in de volgende kabinetsperiode meer dan een miljoen arbeidsongeschikten zal tellen. Waarmee ze de hele politiek, inclusief zichzelf, Ruud Lubbers, Wim Kok en het parlement een brevet van onvermogen gaf.

Over de andere maatstaven kunnen we kort zijn. De groei van de werkgelegenheid bereikte in 1990 met 119.000 arbeidsjaren erbij een hoogtepunt, maar is sindsdien in een duikvlucht geraakt. In 1993 en 1994 neemt de werkgelegenheid volgens inschattingen van het Centraal Planbureau zelfs af met respectievelijk 13.000 en 32.000 arbeidsjaren. Het financieringstekort komt met 4,1 procent uit boven de doelstelling van 3,25 procent van het nationaal inkomen en ook de collectieve lastendruk (belastingen en sociale premies in procenten van het nationaal inkomen) komt hoger uit dan de in het regeerakkoord neergelegde meetlat.

Verzachtende omstandigheden zijn er genoeg en politici laten niet na ze te noemen. De economische wind zat inderdaad tegen. Maar het doet wel erg denken aan al die verslagen van voetbalwedstrijden, die worden afgesloten met: goed gespeeld, maar toch verloren. Een andere doorzichtige poging om de aandacht af te leiden van de resultaten is het verplaatsen van het spel naar een ander speelveld: de toekomst. Kok, Brinkman, Van Mierlo en Bolkestein praten vooral graag over hun plannen voor de toekomst. Die vallen immers (nog) niet met cijfers te controleren.

Een andere afleidingsmanoeuvre is het noemen van andere getallen. Zo voerde Lubbers op 31 maart op deze pagina de reële (voor prijsstijgingen gecorrigeerde) overheidsuitgaven op als maatstaf voor succes. Deze norm daalt dit en volgend jaar meldt de premier trots. Oke. Maar dat neemt niet weg dat de rentelasten en de staatsschuld blijven toenemen. En daar was het toch om te doen, om die trend in neerwaartse richting om te buigen. Geld dat wordt uitgegeven aan rente op schuld kan niet worden besteed aan onderwijs, nieuwe spoorlijnen of asielzoekers. Lubbers weet dat zelf ook wel. “In de opeenvolgende kabinetten,” verdedigt hij zijn beleid van de afgelopen 12 jaren met gepaste bescheidenheid, “is met vallen en opstaan sprake van een toenemend accent op uitgavenbeheersing en daardoor meer ruimte voor beheersing van het financieringstekort en lastenverlichting met het oog op werkgelegenheid”. Niet meer dan dat.

Als Lubbers en Kok helemaal geen verdedigingsmiddel meer rest grijpen ze steevast terug op hun laatste strohalm: de vergelijking met het buitenland. “Inderdaad blijft de staatsschuld nog toenemen,” gaf Kok in de Beurs van Berlage toe, “en we halen met het financieringstekort niet onze doelstelling. Maar we doen het wel veel beter dan de landen om ons heen.” Daarbij ziet hij over het hoofd dat ook hier sprake is van een kentering. Terwijl de meeste andere landen de touwtjes nu juist wat aantrekken laat het kabinet Lubbers/Kok ze vieren. Vijf miljard gulden lastenverlichting wordt verkocht als een impuls voor de economie. Maar die impuls wordt voor een groot deel gebruikt als versluiering van echte problemen. Denk alleen maar aan de rijksbijdrage van 1,4 miljard gulden die per 1 juli aan het WW-fonds wordt gegeven, waardoor de werkgeverslasten kunnen dalen. Lagere premies op kosten van de staat lossen niet het echte probleem op van te hoge premies als gevolg van te veel uitkeringsgerechtigden, maar maskeren het.

Wat vermag de politiek als zelfs een coalitie die kan bogen op grote steun in de Tweede Kamer (103 van de 150 zetels) en van start is gegaan met een ambitieus regeringsprogramma geen van de oorspronkelijke doelstellingen haalt? Zijn de marges zo smal? Of ligt het aan de politici zelf, die te weinig bestuurskracht aan de dag leggen en hun oren te vaak laten hangen naar de belangen van allerlei pressiegroepen? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Lubbers en Kok het wel hebben geprobeerd. In het voor de coalitie rampzalige jaar 1991 werden tot tweemaal toe dappere ingrepen in de WAO aangekondigd. De voorziening zou minder aantrekkelijk worden gemaakt, teneinde de toevloed van quasi-arbeidsongeschikten wat af te remmen. Maar onder druk van de vakbonden (die geen belang heeft bij een toevloed van arbeidsongeschikten naar de arbeidsmarkt, omdat de CAO-lonen door dat extra arbeidsaanbod onder druk komen) en hun belangenbehartigers in het parlement kwam er uiteindelijk van de dappere voornemens niets terecht. Het kostte een staatssecretaris de kop, die nu doodleuk roept dat de door haarzelf ingediende wetsvoorstellen niets uithalen.

Uiteindelijk hebben Kok en Lubbers de door hen voorgestane veranderingen niet durven doordrukken. Als reden voor hun falen geven beide stuurlieden steevast aan, dat een land niet te besturen valt zonder een zeker draagvlak in de samenleving. Dat draagvlak had de in het voorjaar van 1991 voorgestelde WAO-ingreep volgens Lubbers en Kok kennelijk niet. Dat je als politicus en landsbestuurder in het algemeen belang wel door het verzet van belangengroepen kunt heenbreken bewees Lubbers in 1983, toen onder zijn leiding een verlaging van de uitkeringen (inclusief de AOW) en de ambtenarensalarissen werd doorgevoerd van 3 procent. De vakbeweging demonstreerde heftig, maar moest uiteindelijk inbinden. Als het er echt op aankomt blijken de bonden hun dreigementen (“we leggen het land plat”) niet altijd waar te kunnen maken. Zeker niet in tijden van werkloosheid, als iedereen bang is voor zijn baan en inkomen. Deze demonstratie van politieke moed was jammer genoeg eenmalig. Misschien komt er nog zo'n demonstratie als het aantal WAO'ers echt boven de miljoen komt.

Politici hebben dus wel de macht om de economische en maatschappelijke ontwikkelingen naar hun hand te zetten, maar ze maken daar zelden gebruik van. Meestal drijven ze mee op de stromen van de tijd. Ze claimen bepaalde veranderingen tot stand te hebben gebracht, die bij nader inzien al veel eerder zonder enig toedoen van politici te zijn opgetreden. Neem het beroemde Akkoord van Wassenaar uit 1982. In de beeldvorming is dat een meesterdeal geweest tussen werkgeversvoorman Chris van Veen en toenmalig vakbondsleider Wim Kok, die uiteindelijk leidde tot de loonmatiging die Nederland weer tot groei en welvaart bracht. Wie de cijfers erop naslaat moet echter constateren dat de loonmatiging en de verbetering van de concurrentiekracht al veel eerder door de omstandigheiden (grote oplopende werkloosheid) werden afgedwongen.

Dat zoveel (pseudo)arbeidsongeschikten, allochtonen (een op de drie is werkloos) en jongeren buiten spel staan op de arbeidsmarkt is in termen van het marktmechanisme logisch. Hun prijs is te hoog in vergelijking tot de prestaties die ze leveren. Je kunt dan twee dingen doen. Of je zorgt er met om- her- en bijscholing voor dat de betreffende personen alsnog betere prestaties leveren, of je verlaagt de prijs en flexibiliseert de voorwaarden waaronder mensen te werk kunnen en mogen worden gesteld. Met andere woorden: de te maken keuze is die tussen dwang van bovenaf of dwang door de markt. Een mix van beide is natuurlijk ook mogelijk en is een dankbare vluchtheuvel voor politici die moeilijk kunnen kiezen. Voor Kok bijvoorbeeld. Die gaf vorige week dinsdag tijdens zijn toespraak in de Beurs van Berlage enigszins bedekt toe dat er best wat meer ruimte voor het marktmechanisme mag komen. Kok bepleitte ergens midden in zijn toespraak het oude sociaal-democratische idee van “gelijkheid van kansen” in plaats van “gelijkheid in uitkomst”. “Door een zo groot mogelijke gelijkheid aan de start te creeren,” aldus de PvdA-leider, “hoeft er minder nauwkeurig op te worden toegezien dat iedereen met dezelfde snelheid de finish passeert. Het klinkt eenvoudig, maar ook veelbelovend. Het biedt uitzicht op het uitdagen van mensen, op het dragen van eigen verantwoordelijkheid. In het idee van verzorging van de wieg tot het graf was dat element wat zoekgeraakt.”

Kok maakt deze visie, die teruggrijpt op vrijzinnig democratische tradities binnen de sociaal-democratie, niet concreet en werkt hem niet uit. Dat is te begrijpen. Het zou de klassieke aanhang van gedupeerden en vermeend-gedupeerden kunnen afschrikken. En dat kan de PvdA vlak voor de verkiezingen van 3 mei niet gebruiken. Kok's nieuwe sociaal-liberale geluid biedt wel perspectief op verandering, maar of zijn achterban de consequenties daarvan aanvaardt blijft de grote vraag. Het zou namelijk wel eens kunnen zijn dat mensen met weinig talent, doorzettingsvermogen en/of geluk in die nieuwe realistische samenleving minder verdienen dan mensen met veel talent, doorzettingsvermogen en/of geluk. En dat druist in tegen het rechtvaardigheidsgevoel van de doorsnee PvdA'er, die in zijn hart nog steeds vindt dat de armen evenveel horen te verdienen als de rijken. “Kies Kok,” schreeuwen de affiches op tochtige perrons en vliegvelden. Maar daar staat niet bij om welke Kok het hier gaat. De Kok die uiteindelijk toch steeds weer terugschrikt voor daadwerkelijke vernieuwing, of de Kok die gevestigde belangen ter discussie durft te stellen? De Kok die aan het begin van zijn toespraak een citaat van Bram de Swaan uit 1976 aanhaalt (“Niemand kan voor zichzelf zorgen”), of de Kok die durft te beginnen met een zin die hij op 5 april 1994 in het midden van zijn discours over “de sociale kwestie” had verstopt: “mensen moeten worden uitgedaagd op het dragen van eigen verantwoordelijkheid”.

    • Frank van Empel