Eben Haëzer gaat onder de hamer

SNELREWAARD. In de lege schuur van de hoeve Eben Haëzer blaft een hond, met gierende uithalen. De meubels zijn al uit de kamers weggehaald, het huis is verkocht aan de overburen en nu staat het erf vol, met honderden boeren uit de verre of nabije omgeving. Het is boeldag bij de familie Verwey aan de vaart bij Oudewater. De hele inventaris van drie generaties boeren gaat in één ochtend onder de hamer: trekkers, kranen, wagens, schrikdraadapparaten, melkbussen, schudders, schotelmaaiers, rugspuiten, hekken, prikkeldraad, Annigje 68, Coba 25, Janna 12, Juliana 107, Stijntje 153, schroevedraaiers, een Singer naaimachine, allemaal gaat het in één moeite door. “En alles in contant Nederlands geld”, roept de afslager. “Nummer één. De melkketel achter de schuur, wie biedt er geld voor de melkketel?” Hij staat op een wagen, midden op het erf. “Tien, tien, vijftien, vijftien, vijf en twintig, vijf en twintig, veertig, veertig, veertig, veertig, veertig.” Achter hem, lang, grijs en zwijgend, de notaris, in een lange zwarte regenjas. In een schuur wordt koffie verkocht, de makelaar houdt kantoor in een stal tussen de strobalen, in de voortuin doet de patatkraam goede zaken. Het is een heldere voorjaarsdag en de lucht is vol vogels. De familie laat zich niet zien. De zoon, de eigenaar van het bedrijf, is opgenomen in een inrichting en volgens de buren staart hij alleen nog maar voor zich uit.

De boerderij van de familie Verwey is een van de drieduizend boerenbedrijven die jaarlijks in Nederland opgeheven worden. Volgens schattingen van de EG zal binnen één generatie de helft van de landbouw in Noord-Europa verdwijnen. Van de veeteeltbedrijven is het afgelopen decennium meer dan een derde gestopt. “Het kalme boerenbestaan behoort definitief tot het verleden”, schrijft de psychologe Carin Giesen, die promoveerde op een onderzoek onder 166 boerenechtparen, en daarbij uitvoerig de gesloten wereld en het sociale isolement van de boerenstand analyseerde. “De boerensector wordt op het ogenblik geconfronteerd met een reeks veranderingen die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Het is voor het eerst dat de samenleving op alle mogelijke manier met de boer bemoeit.” De oorzaken zijn bekend: de produktieoverschotten - waardoor de akkerbouw te maken kreeg met dramatische prijsdalingen en de veeteelt met een gedwongen produktiebeperking via de zogenaamde superheffing - de mestoverschotten, de eisen van milieu en natuur en de afbouw van de subsidieregelingen het het kader van de GATT. Het is een gigantisch saneringsproces dat op dit moment plaatsvindt, waarbij een hele cultuur van werken en leven ten onder gaat. Alleen is het een proces dat in stilte plaatsvindt, op de vierkante hectare, bedrijf voor bedrijf, en bovendien is het vaak, zoals bij de veehouderij, een ondergang in weelde en welstand.

“Ik heb de laatste twee weken zeker zo'n vijf en twintig bedrijven bezocht die ermee gingen stoppen”, vertelt een van de handelaren bij de stal met koffie en koeken. “De oorzaken zijn altijd hetzelfde: de milieueisen en de opvolging. De melkveehouders kunnen vaak miljoenen krijgen voor hun bedrijf, hun land en vooral voor hun melkquotum, en als je dan weer voor tonnen in een mestopslag moet investeren, en je weet dat ze morgen weer iets nieuws eisen, ja, dan wordt de verleiding wel groot om te stoppen.”

Handelaren zien er altijd net even frivoler uit dan boeren: ze hebben een sjaaltje om, of een vreemde hoed op, of ze dragen een blauw pak met een vest boven hun groene rubberlaarzen. Op het erf is zolangzamerhand een kleine markt in tips, relaties en handelscontacten ontstaan, en naar de felle stem van de afslager wordt soms nauwelijks meer geluisterd. Het publiek doet denken aan een Amerikaanse film: verweerde koppen, vreemde gezwellen, poedersigaren, petten, pommade in het haar, de vrouwen met dienbladen en lange jurken.

“Een verloskrik. Tien, tien, dertig, dertig, vijftig, vijftig, vijftig eenmaal, zeventig, zeventig.” In de prachtige film van Jos de Putter over het laatste boerenjaar van zijn ouders spreekt zijn vader op een gegeven moment over het gemis aan een opvolger. “Het gevoel een opvolger te hebben drijft je voort, dat is toch de reden waarom je alles doet”, zegt hij. De Verhey's hadden die fase achter de rug. Hun zoon had het bedrijf overgenomen, zij het met moeite, hij had grootse emigratieplannen, maar na een half jaar zagen de buren hem zijn bed al niet meer uitkomen. Hij kon het niet aan. Bij de meeste andere bedrijven komt het zelfs al niet meer tot een opvolging. Tweederde van de Nederlandse boeren van boven de vijftig zegt niet over een opvolger te beschikken. Bij een gezond bedrijf is de marktwaarde zo hoog dat een zoon of dochter het zelden of nooit tegen die prijs kan overnemen. Er wordt dus minder voor betaald, maar dat betekent dat de andere kinderen een flink deel van hun erfenis moeten laten schieten. De emoties die daarbij loskomen liggen diep: ze hebben alles te maken met de boerentraditie van continuïteit, van generatie op generatie, en aan de andere kant de moderne individualisering en het 'kiezen voor jezelf'. En al zijn de andere kinderen bereid hun financiële voordeel op te offeren aan de continuïteit van het familiebedrijf, dan nog rust op de opvolger een loodzware morele hypotheek. Hij moet nu immers het familie-erfgoed door de branding van de tijd loodsen. Veel boerenzoons en -dochters durven die onzekere toekomst niet aan. En anderen gaan eraan kapot.

Bij veel bedrijven waar het misgaat speelt de familiecultuur eenzelfde rol, op een omgekeerde manier. “Als het in een bedrijf slecht gaat, worden de kinderen dikwijls in die ondergang meegezogen”, is de ervaring van Hanneke Meester van de Telefonische Hulpdienst voor Agrariërs in Zwolle. Ze vertelt over een middelbare landbouwschool in de omgeving, waar in één week tijd vijf kinderen definitief van school gehaald werden omdat ze thuis aan het werk moesten - vaak op bedrijven die op lange termijn toch niet meer te redden waren. Er komen ook steeds meer klachten binnen over kinderarbeid - niet het vrijblijvende helpen van vroeger, maar essentieel werk. Het is uit wanhoop, zegt Hanneke Meester, en iedereen schaamt zich. “Veel boeren voelen zich schuldig en verantwoordelijk voor alles wat er misgaat, en ze sluiten zich totaal af. Soms krijgen we telefoontjes van boerinnen die zeggen: 'Ik neem de kinderen mee, en ik ga weg. Ik wil de ondergang van mijn man en zijn bedrijf niet meer meemaken.' En ze gaan, dat hoor je steeds vaker.”

Zo valt de boerenstand in stilte tussen wal en schip, tussen gezin en markt, tussen traditie en nieuwe tijd.

'Eben Haëzer', 'Tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen'. Buiten blaten de lammeren. Het geroep van de afslager weerkaatst over de velden, “de kaaspers, vijftien, dertig, veertig, veertig, veertig, veertig, eenmaal, andermaal”,en de wind draagt het mee naar de villa's en de Engelse tuinen aan de overkant van het water.

    • Geert Mak