De Oekraïne en het moeras

RUIM TWEE JAAR na de glorieuze onafhankelijkheidsverklaring is de Oekraïne terug bij af. De parlementsverkiezingen in de voormalige sovjet-republiek hebben afgelopen weekeinde aan het licht gebracht wat velen reeds konden vermoeden maar desondanks niet graag toegaven: dat de Oekraïne nog lang geen natiestaat is in de klassieke zin van het woord, maar vooralsnog een toevallige, door de historische loop der gebeurtenissen voortgejaagde, constructie.

De nieuwe volksvertegenwoordiging in Kiev weerspiegelt die paradox bij uitstek. Het parlementaire spectrum is daarom vooral verwarrend. Net als in het vorige parlement zijn de voormalige staatsondernemers en boeren, die zich aan geen enkele politieke stroming hebben verbonden, wederom sterk uit de bus gekomen. Zij waren het die het economische hervormingsbeleid de afgelopen jaren hebben weten te vertragen. Een politiek progamma hadden ze daarvoor niet. Het ging hen slechts om particuliere belangen. Als de staatssubsidies doorgingen, konden zij hun fabrieken open en de arbeiders tevreden houden. Dat de economie van de Oekraïne mede daardoor verder in haar vrije val doorschoot, was van later zorg. Ze zijn er niettemin door hun kiezers voor beloond.

IN POLITIEKE zin hebben de communisten een overwinning geboekt. Maar dat betekent niet dat de Oekraïne terug wil naar het 'ancien regime'. De communisten staan in de eerste plaats niet voor sovjetisering doch veeleer voor russificering. Niet voor niets hebben zij hun stemmen vooral verworven in het oosten en het zuiden, de regio's waar de economie de afgelopen eeuw onder Russische leiding is geïndustrialiseerd. De communisten zijn aldus min of meer de belichaming geworden van een heel oud idee, het idee dat de Oekraïne op de keper beschouwd geen onvoorwaardelijk soevereine natie kan zijn maar zich altijd zal moeten schikken in haar rol als 'klein Rusland'. Oekraïne betekent immers niet voor niets 'aan de grens', is daarbij de redenering.

Daar tegenover staan de nationalisten. Zij gruwen van dit oneigenlijke historische bewustzijn van de andere twee stromingen, maar hebben onvoldoende basis om het effectief te bestrijden. Hun aanhang is niet alleen kwantitatief beperkt maar ook geografisch. Buiten Kiev kunnen de nationaal-democraten van de onafhankelijkheidsbeweging Roech alleen rekenen op de kiezers in het westen, dat gedeelte van de Oekraïne dat nooit deel is geweest van het Russische Rijk en pas in 1939 dankzij het Molotov-Ribbentrop-pact kon worden ingelijfd. Hun nationalisme is daarom niet onproblematisch. De geografische eenheid van de Oekraïne, die zij uiteraard niet willen opgeven, is immers het resultaat van het door hen zo verguisde stalinisme.

Bovendien heeft de nationalistische stroming haar homogeniteit verloren. In het westen heeft Roech in een aantal districten zelfs haar meerdere moeten erkennen in een fascistoïde en paramilitaire concurrent, die zich openlijk spiegelt aan de dubbelzinnige collaboratie met de nazi's waartoe de radikale Oekraïense nationalisten zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben geleend. Het feit dat voormalig Roech-leider, dissident en politiek gevangene Gorin in Lviv zondag het onderspit heeft gedolven tegen de leider van deze extremisten is een veelbetekenend detail.

DIT SCHISMA is de straf voor het beleid van president Kravtsjoek. Toen hij in het najaar van 1991 de onafhankelijkheid forceerde was een meerderheid van de bevolking nog voor zelfstandigheid. Sommigen hadden daarvoor nationalistische motieven. De meesten steunden hem echter om louter politieke redenen. Alleen los van de sovjet-bureaucratie in Moskou zou de Oekraïne uit het dal kunnen klauteren, dacht de meerderheid. De onafhankelijkheid was dus geen doel op zichzelf, maar een middel tot een beter leven.

Bij een succesvol economisch herstel had deze vorm van burgerlijk en staatkundig nationalisme inderdaad kunnen overleven. Door Kravtsjoeks politiek van pappen en nathouden is de Oekraïne echter verder in het moeras gezogen. Dat de politiek nu volgt, is dan ook geen verrassing. Maar verontrustend is het wel. Want de Oekraïne is niet alleen net zo groot als Frankrijk, Kiev beschikt ook nog over meer kernwapens dan Parijs en heeft bovendien nog vele rekeningen met Rusland openstaan, zoals het incident afgelopen weekeind in de Zwarte Zee heeft geïllustreerd. In militaire zin zijn die nucleaire wapens vooralsnog een symbool. Maar wel een symbool met een politieke lading die de grenzen van het grensgebied van Rusland en Europa onmiskenbaar overstijgt.