De late bekering van een dief

Het is een onbeduidend zaakje, dat van meneer Pardoel, maar in al zijn onbeduidendheid zegt het toch veel over het betrekkelijke nut van de strafrechtspleging.

Pardoel is een soort stamgast van het Paleis van Justitie aan de Parnassusweg in Amsterdam. De rechterlijke macht vervult voor hem de functie van een vertrouwde barkeeper, iemand op wie hij zich in tijden van nood verlaten kan. Men kent zijn leven en zijn zonden, en als hij weer eens tot het oude kwaad van een onbenullige diefstal is vervallen, zal men hem niet meteen ten kerker doemen. Want Pardoel is wel een misdadiger, maar geen schoft.

Misschien loopt hij juist daarom regelmatig tegen de lamp. De laatste keer werd hij 's nachts in de gemeente Amstelveen gesignaleerd met een tas met gereedschappen onder de arm. Volgens een gemeentelijke verordening mag dat daar niet. In het geval van Pardoel een terecht verbod, want hij was beslist niet op weg naar zijn schoonmoeder om een vogelkooi te vertimmeren. Dat wil hij ook best toegeven, al dat gelieg en gedraai van de geharde beroepscrimineel is hem te veel gedoe. Zo'n rechter moet ook zijn werk doen, dus wat zou je het hem dan onnodig lastig maken? Uiteindelijk maakt het toch allemaal niks uit.

Bij de behandeling van zijn nieuwste zaak voor de politierechter doemt vandaag even een probleempje op. Het dossier van de rechter, mr. U. van de Pol, is zoek. Sterker nog, hij heeft het dossier van Pardoel ook tevoren niet gezien. Dat zou een heel goede reden kunnen zijn om de zaak aan te houden, maar de officier van justitie, mr. C. Goes, dringt met succes aan op een snelle afhandeling. Zo ingewikkeld is deze zaak immers niet.

De rechter krijgt alsnog de benodigde stukken en hij begint er driftig in te lezen, terwijl de officier de strafbare feiten opsomt. Diefstal van een auto, het verdacht rondlopen met die tas en heling van een fiets. “Of heeft u die fiets zelf gestolen?”

“Dàt ontken ik”, zegt Pardoel parmantig, blij dat er ook eens wat te ontkennen valt.

“U heeft verklaard dat u die fiets voor 25 gulden van een junk heeft gekocht.”

“Precies.”

“En bij de diefstal van die auto had u gebruik gemaakt van autopapieren die ene Vermeer u had geleverd. U bent toen op zoek gegaan naar de daarbij horende auto, u vond 'm in de Albert Cuyp-buurt en liet vervolgens sleutels maken. Maar toch kreeg u met die sleutels het portier niet open. Ik weet niet hoe u....”

“Met een schroevedraaier”, komt Pardoel de officier te hulp.

De rechter heeft zich inmiddels door het dossier gebladerd. “U bent huisman”, zegt hij, “u zorgt voor een zoontje terwijl uw vrouw van een ernstige ziekte herstelt. U heeft veel gedronken in uw leven, merk ik. En u lijdt aan epilepsie. U heeft wel gewerkt, maar op dit moment niet?”

“Meneer is bezig een bedrijfje op te richten voor alarminstallaties”, meldt de advocaat haastig.

“Is dat kind van u?” vraagt de rechter aan de verdachte.

“Nee, van haar ex-man.”

“U heeft een uitkering en uw vrouw ook?”

“Zij heeft een WAO-uitkering.”

Pardoel is 32 jaar. Er loopt nog een zaak tegen hem bij het Gerechtshof, maar die stamt uit dezelfde periode als de zaken waarvoor hij nu bij de politierechter is: medio 1992. Pardoel wil niet meer zitten, want hij meent dat hij het afgelopen anderhalf jaar zijn leven heeft gebeterd. “Ik heb geen criminele dingen meer gedaan”, zegt hij. En hij voegt er schuchter aan toe: “Sinds ik bij die vrouw ben.”

“Is dit niet wonderlijk?” zegt de officier, zonder ironie. “U heeft veel in de gevangenis gezeten. Wij zijn al vijftien jaar met u bezig en het is ons nooit gelukt u op het rechte pad te krijgen.”

“Ik wil het nu.”

“Precies: nú.”

“Hoe lang heeft u in totaal gezeten?” vraagt de rechter.

“Mijn halve leven”, zegt Pardoel onbewogen.

“Het is ongelofelijk”, zegt de officier.

“Ik begrijp dat u dit leven niet verder wilt verpesten”, zegt de rechter tegen de officier.

“Nee”, zegt de officier die er nog steeds niet over uit kan. “Er zijn ik weet niet hoeveel dikke boeken geschreven over de vraag waarom iemand crimineel is. Veel mensen willen niet de criminaliteit in omdat ze wel iets beters te doen hebben. Andere mensen zouden wel willen, maar er staan wetten in de weg en praktische bezwaren. Maar Pardoel dacht dat hij het beter wist en hij ging de criminaliteit in. Vanaf zijn vijftiende. Wij hebben er alles aan gedaan om hem in het gareel te krijgen, maar tevergeefs. En dan lukt het dank zij deze relatie ineens wèl, al zal dat niet de enige reden zijn. De leeftijd speelt misschien ook een rol. Het blijft raadselachtig. En de moraal van dit hele verhaal is: pas als iemand ervan overtuigd is dat hij moet stoppen, dan stopt hij.”

Daar kon de officier wel eens een heel waar woord spreken. Wat niet wegneemt dat hij ook in dit geval toch een straf zal moeten eisen. “U heeft die autobezitter ernstig gedupeerd”, hervat hij streng. “De man moest de auto weer op zijn naam laten zetten en er was schade. Dat kost allemaal geld. Heeft u dat voor hem betaald?”

“Nee.”

“Het is makkelijk, zo'n diefstal plegen”, moppert de officier, “maar het is moeilijker om de schade te betalen. Ik eis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, te vervangen door honderd uur onbetaalde arbeid - een heel schappelijke straf.”

“Van het bezit van die gereedschappen moet hij worden vrijgesproken”, meent de advocaat, “want in de dagvaarding staat de verkeerde datum.”

De verdachte krijgt het laatste woord. “Ik wil er een punt achter zetten”, zegt hij.

“Klinkt mooi”, meent de rechter. “Ik spreek u vrij voor het derde feit vanwege die verkeerde datum, en ik veroordeel u voor diefstal met braak en heling van een fiets conform de eis.”

Pardoel kan aan een betere toekomst gaan werken. Blijft alleen de vraag - niet gesteld door rechter of officier - of dat per se moet door middel van een bedrijfje in alarminstallaties.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.