Begrafenis

Tegenwoordig heb ik minder binding met de voetbalscheidsrechters dan voorheen. Het was altijd leuk om met Leo Horn te praten, want die topper had een van zekerheid overschuimende mening. Ook Frans Derks wist het op een soms originele manier vaak beter dan wie ook, terwijl een uit Rotterdam afkomstige fluitist, die later bondsbestuurder werd (Dirk Nijs) een prima gevoel voor humor had, zodat hij zich tijdens het diner na een interland tegen Frankrijk door de taalproblemen heen sloeg via de kreet “Liberté, egalité, fraternité” - zijnde zijn totale toespraak. Daarna kwamen andere arbiters hun opwachting maken. Een van hen, Charles Corver, ontmoette ik afgelopen zondag in het stadion van Feyenoord ter gelegenheid van de grote Maasstedelijke derby. Hij was uiterlijk weinig veranderd en zelfs het al zestien jaar durende fractievoorzitterschap van een plaatselijke partij in de Voorburgse gemeenteraad heeft bij hem niet tot slijtageverschijnselen geleid. Ik heb Corver altijd een prima wedstrijdleider gevonden, al weet ik best dat hij een keer tijdens een Wereldkampioenschap in de fout is gegaan door een smerige overtreding van de Duitse keeper Toni Schumacher tegen de Franse aanvaller Battiston onbestraft te laten. Dat was erg, maar Pele, Cruijff en Di Stefano hebben ook wel eens voor open doel gefaald.

“De beste scheidsrechter is degene, wiens aanwezigheid op het veld onopgemerkt voorbij gaat.” Die uitspraak van de beroemde Sir Stanley Rous is een klassieker geworden, maar dateert van vrij lang geleden. Sindsdien blijft het weliswaar een ver ideaal, niet altijd haalbaar in de hectische omstandigheden van een fel betwiste wedstrijd. Het zal nooit precies aanwijsbaar zijn, waarom een goed-verlopend duel zonder narigheid teneinde kon worden gespeeld. Laten we globaal stellen, dat arbiter en spelers een mooi verbond hadden gesloten. Na Rous kwam er een nieuwe paus van het internationale scheidsrechterscorps. Hij heette Ken Aston en was opnieuw een Engelsman. Tijdens het wereldkampioenschap van 1962 in Chili was hem iets vreselijks overkomen. De match Chili-Italië was compleet uit de hand gelopen en de wat stijve, correcte, schoolmeesterachtige Aston waande zich in een wereld die door beesten werd geregeerd. In zijn nieuwe functie moest hij Rous adviseren wie de finale van 1974 tussen Nederland en West-Duitsland zou mogen leiden. Aston dacht aan een Schot, Davidson, maar die had de pech dat Rous op de tribune zat bij Nederland-Brazilië, waar zowel fantastisch werd gevoetbald als genadeloos werd getackled. Op een gegeven moment had Johan Neeskens met twee benen vooruit de Braziliaan Marinho besprongen. Die gaf daarop onze landgenoot een rechtstreekse directe, welke boksliefhebbers in extase bracht, maar totaal niet te rubriceren viel als correcte voetbaldaad. Het gebeurde achter de rug van de scheidsrechter, maar de grensrechter had het moeten zien. Die grensrechter was Davidson en hij reageerde niet. “Die krijgt van mij de finale niet”, mompelde Sir Stanley. Dus werd het Taylor, met wie Cruijff het nogal aan de stok kreeg.

Die Aston kon mooi vertellen en deed dat graag. De uitverkoren arbiters hingen aan zijn lippen, wellicht in de vage hoop dat wie het hardste lachte de beste wedstrijd zou krijgen - vermoedelijk vergeefs, want Aston had de reputatie een eerlijk man te zijn. Ooit vertelde Aston aan zijn collega's dat er aan de rand van de grote Engelse steden soms wel twintig voetbalvelden liggen, waar op zaterdag intensief op wordt gespeeld. Op een morgen passeert daar een begrafenisstoet. Overal wordt gewoon verder gevoetbald. Slechts op één veld legt de scheidsrechter het spel stil en staat iedereen in de houding tot de lijkstoet voorbij is. Onder de toeschouwers is een heer op leeftijd, die de fluitist prijst omdat deze weet wat echte Britse hoffelijkheid betekent. De man naast hem zegt met schroom in de stem: “Ik wil u niet teleurstellen, maar ik moet u erop wijzen, dat het de vrouw van de scheidsrechter is die daar naar het kerkhof wordt gevoerd.”