Barstow geeft aan Salome een hoogstpersoonlijk profiel

Voorstelling: Salome van R. Strauss door de Nederlandse Opera en het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart m.m.v. o.a. Josephine Barstow, Günter Neumann, Isolde Echlepp en John Bröcheler. Decor en kostuums: Wilfried Werz; regie: Harry Kupfer. Gezien: 11/4 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 14, 17, 20, 23, 26, 30/4; 3/5 (vrijwel uitverkocht).

Voor de derde keer geeft de Nederlandse Opera een serie voorstellingen van Strauss' Salome in de opzienbarende produktie van Harry Kupfer uit 1988, die de vorige keren hier uitvoerig is geanalyseerd als afgrijselijke gruwelen in koele schoonheid. De NOS toont deze voorstelling 8 mei op tv. Het weerzinwekkende verhaal van Salome die in ruil voor haar dans het afgehakte hoofd van Johannes de Doper cadeau krijgt, bleek gisteren niets van de verpletterende uitwerking te hebben verloren: tijdens de afschuwwekkende slotscène, als Salome dat zwijgende dode hoofd verliefd-verwijtend toespreekt, verlieten mensen de zaal. Zelf was ik na afloop volledig uitgevloerd.

De tweede reprise brengt Edo de Waart voor het eerst in het Muziektheater, waar hij werkt met zijn uitstekend spelende Radio Filharmonisch Orkest - de vorige keren leidde Hartmut Haenchen het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest. De Waarts muzikale uitbeelding is gebaseerd op een weloverwogen opbouw. Het begin lijkt nu zelfs al te casual, maar de onheilspellende spanning en de vernietigende orkestrale uitspattingen blijven niet lang uit en worden meesterlijk gedoseerd of gecontrasteerd met ondraaglijk ijzige stiltes.

Doorzichtig, messcherp en soms verblindend schel is het klankbeeld, passend bij het high tech-decor. Alleen in Salome's dans klinkt er een vleug van sensuele zwoelheid, zij het met een bijna geforceerd karakter: dat onderstreept het gedwongen karakter van Salome's striptease, die zijzelf op sommige momenten als gênant en vernederend ervaart. De Waart toont hier ervaring, inzicht en de dienstbaarheid om vanuit de orkestbak bij te dragen aan het geheel van de voorstelling.

Ook de cast is deels gewijzigd, al zijn Günter Neumann (Herodes) en John Bröcheler (Jochanaan, Johannes de Doper) uit de eerste serie nog steeds present. Neumann leek mij niet zijn avond te hebben: ondanks zijn ervaring blikte hij steeds weer voor houvast naar De Waart, wat ernstig afbreuk deed aan de geloofwaardige uitbeelding van zijn rol: hij is immers volstrekt gefixeerd op Salome. Bröcheler, kort na zijn geweldige Wozzeck, bleek daarentegen nog gegroeid in zijn profetenrol, die hij zong met een indrukwekkende stentorstem.

De titelrol is een verhaal apart in de vertolking door Josephine Barstow, wier fysieke verschijning absoluut niet voldoet aan het clichébeeld van Salome. Ze is uiterlijk geen aanvallig jong meisje, zoals bij voorbeeld Hildegard Behrens of Teresa Stratas haar konden uitbeelden. Noch heeft ze iets van dat verwende punkachtige mispunterige bloed-onder-de-nagels-weghalende puberale secreet dat Eva-Maria Bundschuh in de twee vorige series maakte van Salome.

Barstow is eigenlijk eerder een gefrustreerde oude vrijster, geen dertien, maar ver in de dertig, ze oogt als de oudere zus van haar moeder. Aanvankelijk hinderde mij dat nogal, maar uiteindelijk overtuigt Barstow volledig op haar eigen, hoogstpersoonlijke manier. Want uiterlijk is wel het minste probleem in dit paleis van perversie. In de Barstow-versie transformeert de dans deze oudere Salome tot een akelig gestoord kind, dat meedogenloos haar zin doordrijft en haar dode speeltje tenslotte achteloos laat slingeren. Vocaal varieert haar imponerende vertolking van onwaarschijnlijke pianissimi en verbazingwekkend lange noten tot een stamelend Sprechgesang in de slotscène, waarna ze wordt doodgeschoten.